Deze keer: lector Peter Troxler (Future of Working). In zijn onderzoek kijkt hij naar de manier waarop technologie en digitalisering het werk van de toekomst vormgeven. Technologie verandert hoe we werk kunnen inrichten: de keuzes die we maken over hoe werk eruit moet zien, bepalen hoe we technologie gebruiken. Daarom vindt Peter het belangrijk dat werkenden zelf een actieve rol hebben in het ontwerpen van hun werk. Zij zijn immers de experts van hun eigen werk en beschikken over kennis die niet zomaar in systemen of technologie is te vangen.
-
Wat was jouw persoonlijke drijfveer om met dit onderwerp aan de slag te gaan?
Rond 2020 had ik een déjà-vu: we waren net met de voorbereidingen voor de master AI-Translator begonnen en hadden stevige discussies over het profiel van deze professional: de spil in het web bij het automatiseren met AI. Ruim vijfentwintig jaar eerder was dat al mijn rol bij een fabriek van Alstom – toen bij het automatiseren met grote robots en werktuigmachines. Ik studeerde aan de Eidgenössische Technische Hochschule (ETH) Zürich en leerde in het college arbeidspsychologie over “persönlichkeitsförderliche Arbeitsgestaltung”: het ontwerpen van werk op zo’n manier dat het mensen vormt, dat je er iets van leert, er iets over te zeggen hebt en er als persoon van groeit. En dat je bij het ontwerpen van hun werk de werkenden moet betrekken. Automatiseringsprojecten werden het onderwerp van mijn proefschrift.
Vijfentwintig jaar later worden werkenden in veel hedendaagse automatiseringsprojecten nog steeds niet als actieve deelnemers in het innovatie- en veranderproces beschouwd, maar als passieve ontvangers van “innovatie” die, in het beste geval, geen weerstand bieden.
-
Kun je in eigen woorden vertellen waar jouw lectoraat zich op richt?
Mijn lectoraat richt zich op het ontwerpen van werk. Wij toetsen een werkontwerp op hoe stimulerend werk is, hoe werkenden meesterschap ervaren in hun werk, hoeveel autonomie werkenden hebben, welke intermenselijke relaties ze in het werk hebben en of het werk ‘tolerabel’ is, draaglijk.
Daar hoort bij: het ontwerpen van werk is een transdisciplinaire opgave. Dat gaat over domeinen heen. Zo heb je voor een goed ontwerp zowel de kennis van een technoloog als die vanuit human resource management nodig. Bovendien gaat het over verschillende lagen van kennis. De kennis van de hbo’ers is even waardevol als de kennis van de werkenden zelf. Want zij zijn uiteindelijk de experts van hun eigen werk.
De onderliggende shift, waar nog veel overtuigingswerk te doen valt, zit ‘m in het feit dat we af moeten van het idee dat werk er “gewoon is”. Werk is meer dan dat. Ook het idee van job carving en job crafting (dat je het werk een beetje naar je eigen zin kunt vormen) gaat niet ver genoeg – werk is echt een ontwerpopgave.
- Waarom vind je het belangrijk dat er juist nu aandacht is voor dit thema?
Elke technologie draagt een bepaalde ideologie in zich. Bruno Latour schreef in 1990: Technology is society made durable – technologie is samenleving die is vastgezet. Hij bedoelt daarmee dat technologie niet neutraal is: sociale keuzes, normen en verwachtingen zijn impliciet ingebakken in technologie en blijven daardoor bepalen hoe we ons kunnen gedragen en organiseren. Neem de auto: zelf rijden is “beter” dan je laten rijden – daaruit volgen buitenwijken en winkelcentra langs de snelweg, keuzes die nooit expliciet zijn besproken; ze zitten in het ding.
Welke samenleving wordt door de huidige digitaliseringsgolf vastgezet? In organisaties is dat het scheiden van denken en doen: rigide instructies en toezicht door managers, opeenvolgende processtappen en starre formulieren. En nu laten we agents taken overnemen binnen deze structuren. De verantwoordelijkheid blijft bij de mens die zijn naam eronder zet en daarmee verantwoording aflegt aan de cliënt, de patiënt, de burger, de inspectie – ook als de tekst door een agent is geschreven en niet meer na te gaan is waarop die zich baseerde. Dat is verantwoordelijkheid zonder auteurschap, aansprakelijkheid zonder zeggenschap.
Daarom is aandacht voor het herontwerpen van werk juist nu nodig. Door duizenden praktische implementaties van agents wordt het formulier de workflow, de workflow wordt het systeem, en het systeem wordt het werkbeleid dat niemand als beleid herkent. Wat nooit als een keuze is herkend, wordt onderdeel van de infrastructuur en daarmee steeds moeilijker ter discussie te stellen. Zodra het in de systemen zit, is het niet langer een keuze maar “zo werkt dat hier”. Zolang het nog beslissingen zijn, kunnen we ze nemen. Daar ligt de urgentie.
-
Welke projecten of onderzoeken staan op dit moment centraal in jouw werk?
Allereerst wil ik de master AI-Translator noemen die in september 2026 is gestart bij vier hogescholen, waaronder Hogeschool Rotterdam. Hier in Rotterdam onderscheidt de opleiding zich met een profilering die steunt op twee pilaren: ontwerpgerichtheid en sociale sensitiviteit. Werken met AI als ontwerpopgave en met het doel het werk zo te ontwerpen, dat het goed is voor de mens.
Daarnaast werk ik aan een KIEM-project over maatschappelijk verdienvermogen, waarin ik samen met vier Rotterdamse digitale bureaus onderzoek hoe zij in een tijd waarin generatieve AI hun verdienmodel structureel verandert, kwaliteit, vertrouwen, eigenaarschap en verdienvermogen gezamenlijk kunnen organiseren. We brengen de ervaringen en werkwijzen van de bureaus bij elkaar en ontwikkelen op basis daarvan een gedeeld kennisdelingsprotocol. Dat vertalen we vervolgens naar een sectorbrede propositie: hoe zou de digitale sector collectief om kunnen gaan met de veranderingen die generatieve AI in het werk en de verdienmodellen teweegbrengt?
Ook werk ik in een groot consortium met TU Delft, Radboud Universiteit, Universiteit Twente en TU Eindhoven mee aan de ontwikkeling van een nationaal centrum voor de toekomst van fysiek werk. We onderzoeken daar hoe technologie, werk en organisatie zich tot elkaar verhouden en hoe technologische innovaties kunnen bijdragen aan werk dat toekomstbestendig en menswaardig is. Mijn rol daarin is om de transdisciplinariteit te borgen: hoe benutten we de verschillende lagen van aanwezige kennis – wetenschappelijke kennis uit verschillende disciplines én de ervarings- en praktijkkennis van mensen die het werk daadwerkelijk doen en organiseren?
-
Als je één belangrijke boodschap zou willen meegeven aan studenten, professionals of partners, welke zou dat zijn?
Werkenden zijn de eigenlijke experts van hun eigen werk. Zij weten dingen over dat werk die ik met mijn methoden niet kan achterhalen en die we ook met de grootste inspanning niet in systemen kunnen vangen. Dat noem ik een alternatieve epistemologie – een eigenwereldse manier om te snappen hoe het zit. Voor ons als “kennisinstelling” zit daar ook een opdracht – zelf epistemologisch reflecteren op wat wij als kennis laten gelden en wat niet.
-
Welke ambities of dromen heb je nog voor de toekomst van je lectoraat en het werkveld?
Dat werkenden weer een positie en actieve rol krijgen in de inrichting van hun werk, in het werkveld én in nationaal beleid.