Menu
    English

    Thema Taal en AI

    Hoe zorg je ervoor dat studenten met generatieve AI hun taalvaardigheid versterken in plaats van uitbesteden? Ontdek hoe taalmodellen kunnen bijdragen aan leren denken, schrijven en communiceren, én welke risico’s er zijn voor taalontwikkeling, authenticiteit en kritisch denken.

    Over taalbewustzijn en taalmodellen 

    Wij willen studenten opleiden en ‘afleveren’ die logisch en creatief denken, kennis ontwikkelen, kritisch zijn en op op een eigen, authentieke manier hun gedachten en ideeën onder woorden brengen waardoor zij zich kunnen verbinden met anderen, zodat zij succesvol kunnen studeren en professioneel functioneren.  

    Hiervoor moeten zij over een grote taalvaardigheid en taalbewustzijn beschikken: zij moeten kunnen luisteren en lezen, over een grote woordenschat beschikken, informatie beoordelen en structureren, en vervolgens kennis en inzichten mondeling of schriftelijk communiceren, op de juiste manier en het juiste moment, in de juiste toon, afhankelijk van doel, doelgroep en context.   

    Het gebruiken van taalmodellen kan op gespannen voet staan met deze ambitie.  Op deze pagina vind je tips voor goed gebruik van generatieve AI bij taalontwikkeling en daarnaast welke risico’s taalmodellen hebben voor de ontwikkeling van taalvaardigheid.    

    Hoe GenAI taalontwikkeling ondersteunt 

    De grote vraag is: welke taal- en denkhandeling moet de student zélf oefenen, en welke ondersteuning mag AI wel of niet geven? 

    Het taalbewuste antwoord hierop is: docenten van de HR gebruiken generatieve AI niet als vervanger van taal- en denkvorming, maar als doelbewust, transparant en ethisch hulpmiddel dat studenten ondersteunt bij het beter leren denken, schrijven, spreken, lezen en luisteren in verschillende contexten terwijl elke opleiding systematisch borgt dat iedere student ook zonder AI  

    • kan denken, lezen, luisteren, spreken en schrijven op hbo-niveau,  
    • AI-output kritisch kan beoordelen,  
    • eigen keuzes en stijl kan verantwoorden, en  

    Daarnaast moet de student in authentieke beroepscontexten verantwoord met AI kunnen samenwerken. 

    9 belangrijke tips

    1. Maak AI niet verplicht. De student is altijd vrij om AI niet te gebruiken. 
    2. Ontwikkel eerst AI-geletterdheid. Voordat studenten een taalmodel gebruiken, moeten zij begrijpen hoe het werkt: wat kan het wel en niet, hoe betrouwbaar is het, welke risico’s horen erbij, welke input is nodig en hoe beoordeel je output? 
    3. Laat studenten expliciet afwegen wat zij ‘verliezen, inleveren’. Docenten moeten studenten laten nadenken over de nadelen van te gemakkelijk AI-gebruik: welke taal- of denkhandeling oefen je dan niet? 
    4. Over-all  ontwerpregel: AI mag het leerproces verrijken en zichtbaar maken, maar mag het denk-, lees-, formuleer- en revisiewerk niet onzichtbaar overnemen. 
    5. Hanteer het mens–machine–mensprincipe.
      Mens (student) eerst: de student bepaalt zelf wat hij/zij wil zeggen: doel, doelgroep, boodschap, bronnen/ervaringen, toon, en een voorlopige eigen formulering. Dit is cruciaal voor woordenschat, denkstructuur, begrip, eigen stem en taalbewustzijn. 
      Dan de machine: het taalmodel fungeert als assistent, spiegel of sparringpartner. Het geeft feedback op gevraagde aspecten, stelt kritische vragen of doet suggesties. Voorbeelden: “Welke zin is onduidelijk en waarom?” of “Welke vragen zou mijn doelgroep nog hebben na het lezen van deze alinea?” (zie ook: Beter leren schrijven met AI, een taalmodel als schrijfcoach). 
      Mens als laatste: de student beslist wat wel en niet wordt overgenomen, en waarom. Past het bij de bedoeling? Klopt het inhoudelijk? Klinkt er nog een eigen toon? Past de toon bij context en doelgroep? De student blijft eindredacteur en draagt volledige verantwoordelijkheid voor inhoud en vorm/ formulering. 
    6. Beoordeel het proces, niet alleen het product. Als eindproducten met AI gemaakt kunnen zijn, is een opdracht soms niet meer valide als toets. Maak het leerproces zichtbaar: laat studenten bijhouden wanneer en hoe AI is gebruikt, wat de output was, hoe zij de kwaliteit beoordeelden, wat zij wel/niet overnamen en waarom, wat zij leerden en hoe zij het geleerde kunnen verwerken in een volgende opdracht. Een portfolio kan helpen om ontwikkeling over langere tijd zichtbaar te maken. 
    7. Feedback van docent tijdens het proces.  Het beste is als feedback tijdens het leertraject gegeven wordt en niet alleen achteraf. Feedback geven en ontvangen, aanpassen en verbeteren is ook een proces. AI kan daar op verschillende momenten behulpzaam zijn, mits het denk- en oefenwerk niet overgenomen wordt. Maar betekenisvolle feedback vraagt om verbinding, om een relatie tussen de student en de docent.   Studenten stellen persoonlijke, waardegedreven, professionele  feedback van docenten op prijs. De docent heeft en houdt ook een belangrijke rol in het motiveren van de student. Daar kan geen AI tegenop.  
    8. Toets zo nodig AI-loos. Als het taaldoel is dat studenten ook zonder AI moeten kunnen denken, schrijven, spreken, luisteren of lezen, moet de toetsing daarop aansluiten. Creëer dan omstandigheden waarin studenten een toets maken of opdracht uitvoeren zonder AI te kunnen raadplegen. 
    9. Houd rekening met het niveau. Nog niet geoefende taalgebruikers hebben meer begeleiding nodig bij het prompten, om de gewenste output te genereren (‘garbage in, garbage out’). Geoefende schrijvers kunnen dat beter. Organiseer het onderwijs van ‘sturend’, naar ‘begeleid’, naar ‘zelfstandig’. De taalsteun neemt af naarmate de student vordert.  Stem de opdrachten hierop af. 

    Uitdagingen voor taalontwikkeling

    De belangrijkste risico's van taalmodellen voor de ontwikkeling van taalvaardigheid op een rij.

    Algemene uitdagingen 

    • Minder valide toetsing: als eindproducten met AI gemaakt kunnen zijn, meet een schrijfopdracht mogelijk niet meer wat zij moet meten. HR stelt bij Beter leren schrijven met AI dat het beoordelen van alleen een eindproduct op taal in deze tijd vaak niet meer valide is; de aandacht moet naar het schrijfproces. 
    • Ongelijkheid tussen studenten: studenten verschillen in toegang tot betaalde tools, voorkennis, promptvaardigheid, kritisch vermogen en thuistaal. Betaalde versies bieden meer functies, waardoor verschillen kunnen toenemen. We moeten ook rekening houden met studenten die AI niet willen gebruiken. 
    • Bias, normering en uitsluiting: AI-output weerspiegelt bias, normering en uitsluiting in trainingsdata en keuzes van ontwikkelaars. Daardoor kunnen dominante taalnormen, stereotypen of culturele aannames ongemerkt worden versterkt. 
    • Privacy en beroepsethiek: studenten kunnen persoonsgegevens, stagecasussen, cliëntgegevens, teksten van medestudenten of interne documenten in tools plakken en daarmee weggeven aan ontwikkelaars. 

    Inloggen