Door de aard van toekomstige werkzaamheden als verloskundige lopen studenten risico op besmetting met het hepatitis B virus en/óf dat zij anderen besmetten.
Wat is hepatitis B?
Hepatitis B is een virusinfectie die leverfunctiestoornissen kan veroorzaken. In een aantal gevallen kan besmetting leiden tot chronisch dragerschap. Overdracht kan zowel plaatsvinden van patiënt/cliënt naar zorgprofessional, als van zorgprofessional naar patiënt/cliënt.
HBV-dragerschap is niet verenigbaar met de beroepsuitoefening van de verloskundige. Als een student bij aanvang of gedurende de opleiding HBV-drager blijkt te zijn, dan kan zij de opleiding niet voortzetten vanwege de veiligheid van de cliënten (Wet BIG). Om die reden moet de student, indien dit nog niet is gebeurd, zich vóór aanvang van de stage laten testen op HBV‑dragerschap.
Wie moet er gevaccineerd worden?
Voor iedereen die werkzaamheden (ook stage) verricht met een verhoogd risico op een besmetting en mogelijk overdracht van het Hepatitis B-virus is vaccinatie noodzakelijk. Verloskundigen, maar ook studenten, vallen onder deze categorie. Zij lopen niet alleen risico, maar zijn ook risicovormer. Personen die gevaccineerd zijn, zijn beschermd tegen Hepatitis B en kunnen daardoor anderen niet meer besmetten.
Ziekenhuizen en verloskundige praktijken eisen dat studenten voldoende beschermd zijn tegen het Hepatitis B-virus én dat zij geen risico vormen voor zwangeren en pasgeborenen op het moment dat studenten stagelopen.
Vaccinatietraject
Het vaccinatietraject voor student-verloskundigen wordt door de opleiding georganiseerd. Het traject van drie vaccinaties met daarna de bepaling van voldoende immuniteit duurt minimaal zeven maanden en is afgerond vóór de eerste zesweekse stage in het eerste studiejaar.
Wanneer voldoende antistoffen zijn aangemaakt, zijn studenten langdurig, mogelijk zelfs levenslang, beschermd tegen het Hepatitis B-virus. Het vaccinatieprogramma wordt uitgevoerd door een officieel erkend vaccinatiebureau. Bij de start van de opleiding worden studenten geïnformeerd over het vaccinatietraject.
Afzien van vaccinatie
Wanneer studenten verloskunde, om welke reden dan ook, afzien van vaccinatie tegen Hepatitis B gelden de volgende regels:
- Bij de start van de opleiding meldt de student zich bij de coördinator Studentzaken met het bezwaar tegen vaccinatie Hepatitis B.
- De coördinator Studentzaken draagt er zorg voor dat de student zowel mondeling als schriftelijk op de hoogte wordt gebracht van de landelijke richtlijn preventie van Hepatitis B voor medisch personeel en bespreekt met de student de regels die de hogeschool hanteert.
- De opleiding biedt geen stageplaats aan aan studenten zonder immuun-opbouw en/of studenten die niet gevaccineerd willen worden vanwege eerder genoemde redenen.
- De consequenties die voortkomen uit de beslissing van de student om zich niet te laten vaccineren worden volledig door de student gedragen.
- Noch de opleiding, noch de stage- instelling(en) kan/kunnen hiervoor verantwoordelijk worden gesteld. Concreet betekent dit dat de betreffende student de opleiding niet zal kunnen voltooien.
Wanneer iemand als (toekomstig) student verloskunde niet is gevaccineerd tegen Rodehond is het van belang om dit alsnog te doen. Op deze manier loopt de student geen risico om zelf besmet te raken én (van groot belang), vormt de student verloskundig geen risico voor de zwangeren en de pasgeborenen waar zij zorg voor draagt.
Studenten kunnen voor vaccinatie tegen Rodehond (als onderdeel van de BMR) terecht bij de GGD. Eventuele kosten voor deze vaccinatie zijn voor eigen rekening.
Afzien van vaccinatie
Wanneer een student verloskunde, om welke reden dan ook, afziet van vaccinatie tegen Rubella, terwijl die immuunstatus onvoldoende is, gelden de volgende regels:
- Voordat de opleiding van start gaat laat de student bepalen of hij/zij een natuurlijke immuniteit (Rubella- antistoffen) heeft opgebouwd. Deze is opgebouwd wanneer iemand ooit besmet is geweest met het Rodehond-virus.
- Bij de start van de opleiding meldt de student zich bij de coördinator studentzaken met de uitslag van de immuniteit (aanwezigheid van antistoffen).
- Bij voldoende positieve immuniteit kan de student de opleiding starten.
- Bij negatieve immuniteit vormt de student een risico voor zwangeren en pasgeborenen en zal, naar de eisen zoals de stage-instelling die stelt, geen stage gelopen kunnen worden mits de student zich laat vaccineren óf in de tussenliggende tijd een voldoende positieve immuniteit kan aantonen.
In 2017 heeft de Gezondheidsraad het advies gegeven om werknemers die op het werk in direct contact komen met kinderen tot een half jaar oud vaccinatie aan te bieden. Dit om blootstelling aan kinkhoest (B. Pertussis) van de meest kwetsbare groep tegen te gaan.
In de uitvoering van dit advies wordt prioriteit gegeven aan werknemers in de gezondheidszorg die beroepsmatig intensief contact hebben met pasgeborenen en prematuren (zoals werknemers op de neonatologie-afdeling, verloskundigen en kraamverzorgenden). Zie voor meer informatie deze link naar de website van de Gezondheidsraad.
In de lijn van dit advies wordt aan studenten verloskunde sterk aangeraden om zich bij aanvang van de studie te laten vaccineren tegen kinkhoest. Vaccinatie kan via de huisarts of de GGD. De kosten hiervoor zijn voor eigen rekening.