Ga direct naar de content

Ontmoeting 85 | over taalfierheid, klare taal en jeukwoorden

Taal verbindt en sluit buiten, taal kan zowel verbinding scheppen als verwarring. Als je er op gaat letten welke rol taal speelt kun je veel tegenkomen. Ron Bormans doet een poging.

 “Als iemand alleen al een klank verwisselt, kan hij het tegenovergestelde bereiken van wat hij beoogde of worden uitgelachen”. Citaat uit het essay Samen Leven in de Moderne Samenleving, met een knipoog naar denker Lacan, als opmaat naar een betoog over hoe belangrijk het is om aandacht te schenken aan onze taal. Taal, die een uitdrukking is van onze identiteit en op die manier ook mensen weet te verbinden, kan tevens onderdeel zijn van een uitsluitingsmechnisme. Taal, die de drager van cultuur kan zijn, maar ook cultuur- danwel interpretatieverschillen kan maskeren, wat kan leiden tot oppervlakkige consensus, waarachter een diepere verdeeldheid schuil kan gaan. Taal, die kan verbinden op woorden, maar verwarring kan scheppen als de woorden verschillende ladingen hebben. 

Maandag 9 januari, Museumpark Rotterdam, 13.30 – 14.30 uur

Vlak voor de Kerst zijn de nieuwe leden van onze medezeggenschapsraden gekozen, zowel centraal als decentraal. Meteen de eerste maandag na de kerstvakantie hebben zij een zogeheten netwerkbijeenkomst georganiseerd, om kennis te maken en kennis te delen. Ik loop even binnen om de mensen te bedanken dat zij dit belangrijke werk willen doen. Een hogeschool hoort een gemeenschap te zijn die democratische waarden hoog in het vaandel heeft en dan hoort zij daar ook zelf blijk van te geven. De mensen die hier aanwezig zijn, geven daar actief invulling aan. 

In afwachting van de start van de bijeenkomst, raak ik in gesprek met een docent over de diepere betekenis van begrippen die we vaak gebruiken: diversiteit en studiesucces. Het gesprekje leert ons hoe zelfs begrippen die we vaak gebruiken, die we als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen, verschillende ladingen kunnen hebben. Bij nadere beschouwing is dat niet zo vreemd. De waarden die verbonden zijn met onderwijs staan eigenlijk voortdurend op gespannen voet met zichzelf. Onderwijs leunt op een samenspel van waarden waarin zowel gelijkheid als ongelijkheid voorkomen, zowel selectiviteit als gelijkheid. Onderwijs heeft inherent zowel iets elitairs als ook egalitairs. Verbindende begrippen zijn eigenlijk en oneigenlijk. Het onderwijs moet verschil kunnen en durven maken op eigenlijke gronden: aanleg, eigen keuzes, ambities. Daarnaast moet het onderwijs oneigenlijke verschillen zien te overstijgen: het onderscheid mag niet terug te voeren zijn op verschillen in sociaaleconomische achtergrond, etniciteit, sekse, etc.

Collectief gesprek tussen docenten geeft perspectief

Maar in de alledaagse onderwijs werkelijkheid blijkt dat veel moeilijker te onderscheiden dan op papier. De basale doelstellingen als kwaliteit en studiesucces kunnen al op gespannen voet staan: hoe hoger de lat, hoe hoger de uitval. En hoe meer we streven naar minder uitval, hoe harder we moeten roepen dat dat niet ten koste mag gaan van niveau van het onderwijs. Een docent moet zich vrij voelen duidelijk, hard en selectief te oordelen over de prestaties van een student. Maar moet ook het pedagogisch vakmanschap hebben om elke oneigenlijke barrière die het presteren in de weg staat, te slechten. Niet altijd gemakkelijk. Het onderscheid tussen op eigenlijke wijze verschil maken en op oneigenlijke wijze, zal elke dag weer onderwerp moeten zijn van het professionele gesprek tussen docenten onderling. Het oude en nog steeds actuele beeld van de rapportenvergadering, maar dan met een hogere frequentie, kan daarbij helpen. Een collectief gesprek tussen docenten over hoe deze student het doet, brengt vaak balans in het referentiekader van waaruit beoordeeld wordt. Het zorgt ervoor dat we het oordeel uit de culturele ‘dode hoek van de spiegel’ halen.

Dinsdag 10 januari, Basisschool De Globetrotter Afrikaanderwijk, 10.00 – 11.00 uur

Daar hoefde hij niet lang over na te denken, de vraag wat hij later wilde worden: “Leraar op een universiteit”. En dan lesgeven in robots. Bij de Universiteit Utrecht. Klare taal. Hoe hij dat wist? Omdat hij daar met school geweest was en die mensen hadden hem dat duidelijk en aardig verteld. En die meneer had ook gezegd dat dat wel iets voor hem was. We zijn op een basisschool in de Afrikaanderwijk. Zo’n school met die typische, bijna iconische kenmerken van een school: tegels, gangen met lokalen waarin de lessen staan te dampen en soms te ruiken zijn, kapstokken met de jassen drie rijen dik en rugzakjes die net op het haakje passen; een enkele leerling die door de gang loopt. Op weg naar het toilet? De klas uit gestuurd? Scholen verraden vaak ook meteen hun kwaliteit als je binnenkomt. Deze school voelt goed. Mensen bejegenen je open, ik hoor zo nu en dan een lachsalvo, zie een mevrouw een kind troosten. Ik probeer op te vangen waar het gesprekje over gaat…

In gesprek met een leerling die universitair docent wil worden

We zijn hier om een groot Rotterdams project te lanceren om meer jonge mensen te verleiden naar de Pabo te gaan. En zodoende te zorgen voor een grotere, maar ook meer diverse instroom. Dus gaan we gerichter scouten in het mbo en het vo en  hebben we schakelprogramma’s ontwikkeld om mbo’ers te helpen die net iets meer kennis nodig hebben om te slagen voor de entreetoetsen en beloven we studenten  gegarandeerd een baan op een school op Zuid, als je meedoet met ons programma. Een initiatief van ons allemaal, met een belangrijke aanjaagrol van Marco Pastors, directeur Nationaal Programma Rotterdam-Zuid.

We proberen de toekomst vorm te geven en tijdens de bijeenkomst is onze toekomst aanwezig. Zoals die jongen uit groep 8 van De Globetrotter die hoogleraar Robotica gaat worden. Klare taal. En ook duidelijke vragen. Zoals wat ik dan wel doe. Op mijn antwoord dat ik de baas van de hogeschool ben, volgt de vraag waar ik dat geleerd heb. In Nijmegen op de universiteit. Bevlogen jongen, en ook praktisch. Hij kijkt me vorsend maar open aan. “En meneer, verdient u ook veel geld?” 

Donderdag 12 januari, Science Tower Rotterdam, 9.00 – 12.30 uur

We zijn bijeen met docenten, onderzoekers, mensen uit de staf, leidinggevenden, om te praten over taal. We weten hoe belangrijk taal is om succesvol te studeren. We weten ook dat het grootstedelijke Rotterdam meertalig is. Dat heeft iets moois, is een uitdrukking van diversiteit en identiteit. Het includeert mensen. Maar in het besef dat taal ook het tehuis is van cultuur, onuitgesproken waarden of betekenis, in het besef dat taal mensen subtiel of grof op het verkeerde been kan zetten, is die taaldiversiteit ook een risico. Dus staat er bij binnenkomst bij Hogeschool Rotterdam een groot bord met de boodschap dat wij in het onderwijs met elkaar spreken in het Nederlands, behalve als we afgesproken hebben dat Engels de voertaal is, zoals bij onze internationale, economische opleidingen.

De brugfunctie van het Nederlands

Belangrijkste spreker deze ochtend is An de Moor, in 2016 uitgeroepen tot Academica van het jaar in Vlaanderen, vanwege haar voortdurende inzet voor en publieke oproepen tot wat zij noemt taalwaakzaamheid, taalzorg en...het woord van de dag: ‘taalfierheid’. An laat ons nog eens duidelijk zien hoe we jonge mensen in de kou laten staan als we niet streng zijn op onze taal. Dat is meer dan de d’s en de t’s. Dat is vooral een zodanige beheersing van de taal dat jonge mensen met succes de stap kunnen maken naar een loopbaan, doordat ze kunnen spelen met de taal, de onderliggende regels kennen, de cultuur die er in verpakt zit.

Dat kan goed samengaan met geworteld blijven in eigen roots en je thuis voelen in die andere taal. Echter, de toegang tot het publieke domein wordt mede geplaveid door beheersing van de dominante taal in dat publieke domein. Ik illustreer dat graag met verwijzing naar mijn eigen jeugd waarin het dialect ons verbond in het private en het Nederlands toegang gaf tot de grotere wereld van het publieke domein. En dus is taal in het onderwijs meer dan Nederlands. Het bewust omgaan met de Nederlandse taal moet een onderdeel zijn van alle vakken. Docenten mogen best streng zijn als het gaat om taal - als ze ook streng durven zijn naar zichzelf op dit punt. Het Nederlands moet niet opgesloten zitten in haar burcht, maar de brug vormen over de slotgracht.

Andere taal

Na de lezing van An, volg ik een workshop van een collega die – samen met docenten Nederlands / Communicatie uit het voortgezet onderwijs en het hbo - meegeschreven heeft aan een mooi boek: “Vo-hbo, dat is andere taal”. Ik zou het van de daken willen schreeuwen: lees dat boek en doe er iets mee. Het staat vol met praktische tips hoe we jonge mensen in het vo en het hbo kunnen helpen om succesvol te zijn. Opdat we weer een oneigenlijke barrière slechten op weg naar studiesucces…..

Donderdag 19 januari, Rochussenstraat Rotterdam, 14.00 – 15.00 uur

Is het radicale decentralisatie of radicalere decentralisatie? Het kleine verschil met de grote gevolgen. Bij de opening van het hogeschooljaar hebben we aangegeven een ontwikkeling van de hogeschool voor te staan waarbij we, veel meer dan nu het geval is, de verantwoordelijkheid laag in de organisatie leggen. Een uitspraak die mede gebaseerd is op de analyses uit het eerder genoemde essay, namelijk dat we twee vragen moeten beantwoorden. De eerste is hoe we ons verhouden tot een samenleving die zich steeds meer gefragmenteerd aan ons toont. De tweede is hoe we de professional meer de ruimte weten te bieden zijn of haar verantwoordelijkheid te nemen. Mede om de boel op scherp te zetten, hebben we daar het begrip ‘radicaal’ aan gekoppeld.

Je zou het ook anders kunnen zeggen: de complexiteit van onze maatschappelijke opdracht is van dien aard dat je het antwoord niet moet willen laten geven door een handvol bestuurders en directeuren, maar moet je de denkkracht van 4.000 collega’s willen mobiliseren. Die gedachte spreekt aan, maar geeft ook onrust. Wat betekent dat bijvoorbeeld voor het werk van collega’s die vanuit de staf adviseren over kwaliteit? Is hun rol nu uitgespeeld?

Geenszins, zo houd ik hen voor in een gesprek met hen. Om twee redenen. De eerste is dat decentralisatie altijd zal plaatsvinden binnen een duidelijke set van doelstellingen. Het ambigue bestaat daar uit – waarmee ook vaak het misverstand ontstaat – dat de radicale vrijheid die de professional moet ervaren, altijd een vrijheid is binnen een strakke set van doelstellingen. De hartchirurg, de consultant, de topvoetballer, de advocaat, of het Kamerlid, het zijn allemaal professionals die vaak op een zelfbewuste manier hun professionele vrijheid etaleren. Zij doen dat echter allemaal binnen een kader van doelstellingen en regels, vaak overigens regels die zij als legitiem of vanzelfsprekend ervaren, deels doordat zij die zelf mede ontworpen hebben. Wij als hogeschool hebben ook van die doelstellingen die vast staan.

Ook de adviseur moet een stap maken

Docenten moeten de vrijheid voelen binnen de gebondenheid van een hogeschool die kwaliteit en inclusiviteit hoog in haar vaandel heeft staan. En die dat ook allemaal graag efficiënt, binnen budget en rechtmatig wil doen. Adviseurs helpen bij het maken van die vertaalslag. Helpen nog meer door voor te leven wat professionaliteit is. Ik hou mijn gezelschap voor dat het operationele advies niet het belangrijkste is van hun werk. De toelichting op het advies, de verantwoording ervan, dat is wat telt. "Beste opleiding, ik zou het zo doen, niet omdat het moet van een of ander anoniem – soms niet bestaand – operationeel kader, maar omdat de ervaring leert dat die inrichting inclusiviteit bevordert, die didactiek zichzelf bewezen heeft, die pedagogiek blijkt te werken bij vergelijkbare opleidingen." In een decentrale organisatie wordt de adviseur niet overbodig, maar zal ook hij of zij een professionele stap moeten maken. 

Donderdag 19 januari, Synagoge, Den Haag, 17.30 – 19.00 uur

Nieuwjaarsreceptie van de Vereniging Hogescholen. Vriendelijke, maar zwaar bewapende mannen bewaken de ingang van de synagoge. Een teken van de moderne tijd. Binnen staat bestuurlijk hbo-Nederland met gasten. De veelbesproken elite, zou je kunnen zeggen, heeft haar eigen feestje. Voorzitter Thom de Graaf plaatst onze maatschappelijke opdracht nog eens in het hier en nu. Daarna wordt de onderwijselite een spiegel voorgehouden door Japke-d Bouma, NRC-journalist en voortdurend op jacht naar wat zij noemt ‘jeukwoorden’.

Taal bouwt bruggen en taal sluit af. We praten er veel over als bestuurders en worden weer eens met de neus op de feiten gedrukt dat we daarbij soms een taal gebruiken die wij misschien nog net kunnen volgen, maar die ons niet bepaald verbindt met de gemeenschap waar we leiding aan mogen geven.

Was er eerst dan geen kwaliteit?

Jeukwoorden als kantelen, uitrollen, mensen in hun kracht zetten worden aan de schandpaal genageld. Tja, je vraagt er ook een beetje om om als Bob de Bouwer weggezet te worden als je in een vergadering uitroept dat je "die offerte eens lekker in de grondverf gaat zetten". Of als we geacht worden "de fundamenten onder die redenering nog eens tegen het licht te houden." Het publiek lacht, maar soms met een ongemakkelijke ondertoon van ‘betrapt worden’. Ik prijs me gelukkig dat veel van de woorden die zij laat zien in haar top 10 van jeukwoorden, niet standaard onderdeel van mijn vocabulaire zijn. Totdat zij in haar top 3 laat zien: focus op kwaliteit. Japke-d kent onze hogeschool – zij was voorzitter van de redactieraad van ons blad Profielen – en deze zin lijkt rechtstreeks te komen uit documenten van onze hogeschool. Zij fileert grappig-vilein de verschillende werkelijkheden die schuil kunnen gaan achter die zin. Wat is kwaliteit, was er eerst dan geen kwaliteit, deden we eerst maar wat, wie bepaalt dat eigenlijk?

Taal is basaal. Zo basaal dat we het soms als vanzelfsprekend beschouwen. Terwijl we datgene wat basaal is, niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen, maar juist de aandacht moeten geven die basale zaken verdienen. Met een glimlach, met optimisme en een extra aansporing voor het jaar 2017 verlaat ik de laatste nieuwjaarsreceptie van dit jaar.

Ik groet de mannen met hun zware wapens bij het verlaten van de synagoge.

 

Over de auteur

Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur

Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.

We gebruiken cookies om de website te verbeteren.