Ga direct naar de content

Ontmoeting 83 | ontwikkeling studiesucces

Ook afgelopen jaar heeft Hogeschool Rotterdam weer onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van het eigen studiesucces. De conclusie is dat er nog werk aan de winkel is. Het propedeuserendement van het afgelopen jaar laat echter zien dat er zwaluwen zijn, dat het nog geen zomer is, maar dat die er wel gaat komen.

De nieuwste cijfers rondom studiesucces: de zwaluw is er, de zomer nog niet

Alweer twee jaar geleden zijn we de alarmbel gaan luiden: studenten hebben meer en meer moeite met afstuderen. Ja, dat is een verantwoordelijkheid van de studenten zelf. Ja, dat moet een signaal zijn voor het vo en het mbo om hun leerlingen beter bij ons ‘af te leveren’. Ja, dat is een logisch gevolg van het feit dat we de afgelopen jaren er bewust en met veel maatschappelijke instemming voor gekozen hebben om onze niveau-eisen flink op te schroeven.

Maar we zien het vooral als een uitdaging voor onszelf: wij hebben meteen duidelijk gemaakt dat we aan de bak moeten. Als anderen hun verantwoordelijkheid nemen en als wij dat ook doen, dan lossen we dat grote maatschappelijke vraagstuk op. Want dat is het, een groot maatschappelijk vraagstuk. We moeten namelijk vaststellen dat niet alleen de uitval toeneemt, maar ook dat bepaalde maatschappelijke groepen daarbij onevenredig hard getroffen worden. Om de alarmbel kracht bij te zetten, zijn we landelijk het harde woord ‘segregatie’ gaan gebruiken: daar waar het onderwijs hoort te emanciperen, zitten we momenteel in een fase dat we eerder bij dragen aan de segregatie van de samenleving. Dat heeft binnen Hogeschool Rotterdam een goeie discussie opgeroepen over met name hoe we de binding met onze studenten verder kunnen versterken.  Hoe we studenten beter bij de les houden, beter begrijpen en dus beter begeleiden. Een belangrijk deel van het antwoord moet gevonden worden in de klas, in de interactie tussen docent en studenten.

Recent zijn de meest actuele rendementscijfers beschikbaar gekomen. Hoe staan we er voor? Er is goed nieuws en er is alle reden de alarmbel bij de hand te houden. Het kan ook anders geformuleerd worden, met een knipoog naar een oud-Hollands spreekwoord: onze inspanningen zorgen voor meer dan één zwaluw, maar de zomer dient zich nog niet aan. 

Dalende trend in vijfjaars diplomarendement zet door

De dalende trend in het vijfjaars rendement van studenten bij Hogeschool Rotterdam zet door. We zijn de afgelopen vijf jaar bovendien harder gedaald dan andere hogescholen. Ook de relatieve daling van het succes van de mbo’er ten opzichte van de havist zet door, beiden liggen op 31 procent en de verwachting is dat volgend jaar het succespercentage van mbo-studenten onder de havisten uitkomt. Als we goed kijken naar de getallen, dan zien we dat die ontwikkeling dit jaar voor een belangrijk deel komt doordat vrouwelijke studenten met een niet-westerse migratie achtergrond (*) en afkomstig van het mbo het heel moeilijk hebben. Ooit deed deze categorie studenten het beter dan de mannelijke havisten van Nederlandse achtergrond. Die tijd is voorbij. Zoals de cijfers laten zien hebben we het dieptepunt in deze ontwikkeling, afgemeten naar het rendement na vijf jaar, nog niet bereikt.

(*) Hogeschool Rotterdam volgt het advies van het Centraal Bureau voor de Statistiek om de begrippen ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ aan te passen naar ‘personen met een Nederlandse of een migratieachtergrond’. De definitie waarop de terminologie gebaseerd is blijft gelijk. 

Overigens, we hebben het hier over een trend die qua beweging landelijk is en zich breed en verscherpt voordoet in de Randstad. Met het hele land als referentie doet Hogeschool Rotterdam het niet goed. Met als referentie de Randstad doen we het net wat beter dan het gemiddelde, maar – de eerlijkheid gebiedt dat te zeggen – ons rendement is de afgelopen jaren relatief snel gedaald.

bron: Vereniging Hogescholen

De percentages in de tabel tonen het percentage studenten die in 2010 zijn begonnen met een voltijd/duale bacheloropleiding bij één van de getoonde hogescholen en binnen vijf jaar een hbo diploma hebben behaald. Dat is meestal bij dezelfde opleiding en instelling waar ze startten, maar kan ook bij een andere opleiding en/of een andere hogeschool zijn. Daarom liggen de percentages hoger dan wanneer we naar bovenstaande figuur kijken.

Ontwikkeling Ad richting regulier bachelor onderwijs

In Rotterdam bieden we naast de bacheloropleidingen ook de zogeheten Associate degreeopleidingen aan. De trend die we hier ontwaren illustreert hoe indringend het vraagstuk is. Het zijn opleidingen die, met het oog vooral op de mbo’er, gezamenlijk met het mbo ontworpen zijn  en in samenwerking met het mbo worden aangeboden. Ook hier zien we dat de mbo’er het moeilijker begint te krijgen, wat met name geldt voor de categorie jonge mensen met een niet-westerse migratieachtergrond.

Dit terwijl het aandeel Ad’ers met een niet-westerse migratieachtergrond (47%) hoger is dan bij bacheloropleidingen (32%) en bovendien ook stijgt (wat bij de bachelors niet het geval is). Ad-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond lopen kennelijk tegen dezelfde problemen aan als degenen die een bachelorstudie volgen. We kunnen niet meer om de conclusie heen dat het complexe vraagstuk van studiesucces een stevige etnische dimensie heeft, boven of naast het gegeven dat de onderwijsachtergond een belangrijk gegeven is.

Moeten we het beeld nuanceren als we kijken naar studiesucces in acht jaar?

Interessant is om eens te kijken of de rendementscijfers die we zien na vijf jaar hetzelfde beeld opleveren als we kijken naar het studiesucces na acht jaar. Anders gezegd, verliezen we deze studenten of doen sommige studenten er gewoon wat langer over? Vorig jaar zagen we al dat de rendementscijfers na acht jaar een gemengd beeld lieten zien. Dat is dit jaar niet anders. Vooral bij mbo’ers en studenten met een niet-westerse migratieachtergrond blijft het rendement na acht jaar beduidend hoger dan na vijf jaar. Deze studenten doen er dus voor een belangrijk deel 'gewoon'  langer over. En waarom zouden we bepaalde jongeren niet gunnen er net wat langer over te doen? Toch weten zij de achterstand niet volledig in te halen in deze uitloopperiode. De bestaande verschillen blijven in stand. De mbo'er met een Nederlandse achtergrond heeft na acht jaar duidelijk een hoger rendement dan de havist. Bij studenten met een niet-westerse migratieachtergrond geldt het omgekeerde. Dit benadrukt wederom dat de pijn zit in de combinatie van mbo en een niet-westerse migratieachtergrond.

Het is nog geen zomer, maar de zwaluwen kondigen hem wel aan: propedeuserendement na één jaar flink gestegen bij alle doelgroepen

Er is ook goed nieuws. Het eerstejaarspropedeuserendement stijgt en, voor het eerst, bij alle doelgroepen. Op basis van de trends van de afgelopen jaren zou dit volgend jaar voor het eerst (eerst alleen bij havisten) invloed kunnen hebben op het diplomarendement. Dit gaam we om een vervolgonderzoek naar het hoofdfaserendement verder in beeld brengen. 

Wat het goede nieuws extra vertrouwen geeft, is dat nu juist de mbo’er stappen zet. Bij mbo’ers is de stijging van het eerstejaars p-rendement hogeschoolbreed sterker dan bij havisten. De relatief positieve ontwikkeling bij mbo’ers is opvallend omdat er de laatste jaren juist bij deze groep zorgen zijn over het P-rendement – en de ontwikkeling ervan. Heeft de alarmbel met betrekking tot de mbo’er zijn werk gedaan? 

Het zou kunnen, maar het is te vroeg hem op te bergen. Kanttekening is immers dat het p-rendement als zodanig bij mbo’ers lager is dan bij havisten. Ook tussen studenten met een niet-westerse migratieachtergrond en diegenen met een Nederlandse achtergrond bestaat een kloof die niet kleiner wordt.

Conclusie

Werk aan de winkel. Blijvend werk aan de winkel. Dat is de conclusie. We kunnen aan het succes van het oplopende propedeuserendement afmeten wat werkt. Intensief onderwijs, goed gestructureerd, met docenten die hun pedagogisch vakmanschap koesteren en verstaan en de lat hoog leggen. Op die weg gaan door de komende jaren. En we bedden onze eigen maatregelen in, in afspraken met onze onderwijspartners in het Rotterdamse. We hebben samenwerkingsprogramma’s lopen met onze vo-partners en de Rotterdamse ROC’s. Verder blijven we de overheid vragen ons daarbij te helpen. Die hulp hebben we gekregen waar het onze Pabo’s betreft. Daar hebben we de ruimte om voor bepaalde categorieën studenten uit het mbo iets extra’s te kunnen doen. Die ruimte willen we ook hebben waar het onze economische opleidingen betreft, de opleidingen waar de meeste jonge mensen met een migratieachtergrond gaan studeren. 

Die zomer gaat er komen.

Blog geschreven samen met collega Maaike Bajwa - de Visser

Over de auteur

Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur

Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.

We gebruiken cookies om de website te verbeteren.