Ga direct naar de content

Ontmoeting 44

De huidige ontwikkelingen rondom topinkomens bij maatschappelijke organisaties gaan Bormans na aan het hart, zoals blijkt uit dit fictieve interview met minister Plasterk, tien jaar na dato.

Januari 2025

Het is lang geleden dat oud-minister Plasterk in de schijnwerpers stond. Nu is het zover en hij geniet zichtbaar van de zoemende camera's in de voor de rest muistille ruimte. Alsof hij zich na tien jaar weer eens kan laven aan dat wat hem ooit het meest dierbaar was. Overigens, hij heeft er bewust voor gekozen, de luwte van de afgelopen 10 jaar. Dat hij in het voorjaar van 2015 gedwongen is de politiek te verlaten, heeft hem dat pijn gedaan, te veel pijn om de openbaarheid aan te kunnen.  

Nu, jaren van rust en een dikke biografie verder, is hij klaar om - gelouterd - de publieke arena weer te betreden. Hij heeft de 'grand old lady' van het interviewersgilde uitgekozen om zijn rentree te maken: Eva Jinek. Zij is sinds jaar en dag de onbetwiste koningin van de Nederlandse late night shows, met haar exact een uur durend één-op-één gesprek ('Jinek Ontmoet') met een enkele gast, zonder publiek, zonder muziek en zonder vermaak. Alleen inhoud. Hij gaat zitten en wacht verwachtingsvol op haar eerste vraag. Nog met een wat schichtige blik die de tafel rondgaat, maar er is ook een bepaalde rust over hem gekomen. Het gelaat mooi gegroefd, wit haar, strak getrimd baartje, met zijn opengesperde hand leunend, bijna steunend op dat dikke boek. Teder welhaast.

Jinek: "Welkom, meneer Plasterk. Om maar eens met de deur in huis te vallen: waar bent u toch al die jaren geweest?" 

Plasterk:"Ha ha, waar niet, zou ik zeggen. Thuis, tot rust komend in en na dat vreselijke voorjaar van 2015, in de VS weer aan het werk als wetenschapper, daarna de wereld rond in die rol en de laatste jaren weer thuis, maanden alleen met mijn IMacvoice 3 waarmee ik mijn boek ingesproken heb." 

Jinek:"Het contrast was zo groot. U leek wel niet weg te slaan uit de media en ineens was u verdwenen?" 

Plasterk:"Tja, wat zal ik zeggen. Dat ik de politiek moest verlaten was mijn grootste teleurstelling. En dat ik uiteindelijk struikelde over de topinkomens in de publieke sector al helemaal. Zeker omdat de wet ingevoerd werd, maar ikzelf weg moest. Ik begreep het niet en het heeft even geduurd voordat dat begrip terug was, zal ik maar zeggen."

Jinek:"Negen jaar later schrijft u in uw boek: 'Ik was gechoqueerd. Verdoofd. Dat mij dat overkwam. Nu denk ik: achteraf allemaal heel logisch als ik zie wat er allemaal van gekomen is.' Kunt u dat nader uitleggen?"

Plasterk:"Nou, ik zat er eind 2014 natuurlijk vrij stevig in. Ik moest en zou mijn punt maken rondom die topinkomens. Dat te regelen beschouwde ik als mijn hoogtepunt, dat me  in de politieke arena zou terugbrengen, nadat ik krediet verspeeld had rondom die afluisteraffaires van de jaren '10. Mijn ijdelheid had me wat parten gespeeld, laat ik het zo zeggen en het thema van de topinkomens paste heel goed in de geest van die tijd. Maar later...." 

Jinek:"Voordat we daar naar toe gaan, wat bedoelt u daarmee?" 

Plasterk:"Als ik met de kennis van nu terug kijk, was het een belangrijk thema dat in het populisme van die dagen goed scoorde. En tegelijkertijd was het geen louter populisme dat ons in die dagen dreef. We hadden jaren achter de rug van affaires bij maatschappelijke organisaties, die vaak ook samen gingen met bestuurders die zichzelf een te hoog salaris toe-eigenden.  Dus er was een reëel probleem en een populistische kans op hetzelfde moment. Een kans voor mij om mijn positie te herstellen. Pers, publiek en politiek applaudisseerden vrijwel kritiekloos en de bestuurders zelf hielden hun mond." 

Jinek:"Klinkt aannemelijk. Waarom noemt u jaren later uw vertrek dan juist logisch? Snap ik niet. Had het populisme dan toch de overhand?" 

Plasterk:"Nee, dat is te simpel. Het was een gekke tijd, de jaren '10. Op de één of andere manier gingen we er steeds gestrekt in als het ging om onze maatschappelijke instituties als er ergens een incident was. Of het nou om de instituties zelf ging of om de mensen die daar leiding aan gaven. We waren niet goed in staat te differentiëren tussen wat goed ging en wat niet goed ging. One size fits all. Het was de tijd dat we vaak zeiden dat de goeden moesten lijden onder de boosdoeners. Incidenten bepaalden ons gedrag in een tijd dat we veel last hadden van wantrouwen in onze instituties.

Er waren veel hogescholen die het goed deden, universiteiten, omroepen, woningbouwcoöperaties, ziekenhuizen en ook hun bestuurders. Maar het incident was genoeg voor de zoveelste maatregel van tucht, discipline, toezicht, beknotting. Kortom, we negeerden dat er ook bestuurders waren die zich aan de norm hielden. En dan was die norm ook nog eens rommeltje gedurende zo'n jaar of tien voorafgaand aan mijn wet.

Voor WNT-2 hadden we WNT-1, de WOPT, de Balkenende-norm, etc., met steeds net een andere definitie. Alsof je een stad binnenrijdt en op de ene hoek staat dat je 48 km mag, een blok later mag je 20 Mijl en de dag daarna 50 km en komend weekend 1000 Voet, met de robotagent meteen erbij. Daar komen ongelukken van of mensen blijven weg uit die stad. We hadden eigenlijk al aan het begin van de eeuw gewoon  een wettelijke norm moeten bepalen (met een index). En wie zich daar niet aan hield, moeten ontslaan. In plaats daarvan zijn we dat ingewikkelde proces ingegaan van vrijwillige normen die we vervolgens wettelijk alleen maar verder aangescherpt hebben, met alle gedoe van dien." 

Jinek:"En dat heeft geleid tot wat u in de titel van uw boek noemt: 'De vervreemde organisatie'? Klinkt ingewikkeld." 

Plasterk: "Dat is het niet. Ik zal het u uitleggen. Het gaat om organisaties die 'van ons' zijn, die wij met zijn allen gemaakt hebben om iets voor ons te betekenen. Als maatschappelijke instituties vervolgens 'van niemand' zijn, heb je een probleem. Een aantal van die organisaties was zeker afgedreven van hun maatschappelijke opdracht, maar  wij politici hebben dat bevorderd. Ongewild hebben we daar namelijk aan bijgedragen door steeds maar weer dat negatieve gevoel te verspreiden en waren we niet in staat om te laten zien wat er allemaal goed ging. En dat was heel veel.

Mijn wet heeft er ook toe geleid dat langzaam maar zeker de kwaliteit van bestuur achteruit gesukkeld is. Dat gaat niet van de ene dag op de andere, dat is een sluipend proces. Maar nu moeten we vaststellen dat het beroep voor veel getalenteerde mensen niet meer interessant is. Geldt ook voor de politiek trouwens. Veel goedwillende bestuurders voelden zich niet gewaardeerd, weggezet en kwamen tegenover hun ministers te staan in plaats van ernaast zoals het hoort. Daar betalen we nu een prijs voor." 

Jinek:"Wat ik niet goed snap is dat bijna niemand toen protesteerde uit de kaste van bestuurders. Is dat eigenlijk niet gewoon lafheid geweest?" 

Plasterk:"Ik ben niet meer van de krachtige beweringen, dus ik zou dat niet laf willen noemen. Hoewel ik snap wat u bedoelt. Ik heb er een jaar na mijn aftreden wel eens met iemand over  gesproken die bestuurder was in die tijd. De man hield zich netjes aan de norm van de WNT-1. Hij zat overigens al voor mijn wet 30% lager dan het wettelijke maximum maar voelde wel degelijk emotie bij het verder terugschroeven van zijn salaris. Met name de vaak diskwalificerende toon waarmee dat gepaard ging en het populisme in de onderstroom. En de slordigheid waarmee het gebeurde, in een land waar elke tiende van een procent in het salaris na zorgvuldige onderhandelingen met vakbonden tot stand komt.

Het ging niet eens om het geld zelf.  Ministers verdienen een heel goed salaris (met allerlei extra's trouwens zoals een auto met chauffeur, wat we uiteraard  buiten de WNT hebben gehouden). Die 20.000 euro leverde hij bij zijn nieuwe contract zonder morren in, accepteerde ook het feit dat hij geen vast dienstverband had en dat de pensioenmaatregelen uit die tijd er ook inhakten. Hij weigerde ook gebruik te maken van de trukendoos die toen openging. En toch hoorde je hem niet. Ik geloof niet dat het lafheid was, eerder trots. En de man voelde ook ongemak zich te uiten. Hij ergerde hij zich zelf ook aan de incidenten die indertijd plaatsvonden. Hoewel veel bestuurders de goede zaak dienden en zich aan salarisnormen hielden, waren er ook die daar bewust overheen gingen en de indruk wekten 'that they were in it for the money'." 

Jinek:"Wat me nu opvalt, meneer Plasterk, is dat het allemaal zo zakelijk klinkt, daar hoefde u toen toch niet voor af te treden en vervolgens de anonimiteit op te zoeken? Uw boek toont meer emotie dan u nu laat zien." 

Plasterk:"Tja, wat zal ik zeggen. Waar we het tot nu toe over gehad hebben is de zakelijke kant van het verhaal. Mijn eigen positie was al niet zo sterk en begon verder af te kalven toen collega-ministers de wet later wilden invoeren dan we afgesproken hadden. Vind ik nu verstandig, toen niet. Hadden we gewoon moeten doen. De inkt van de eerste wet was nog niet droog of we stoomden door zonder grondige evaluatie of effectmeting. Nooit doen, zeg ik nu. Een paar dagen eerder hadden PvdA senatoren VVD-collega Schippers dwars gezeten. Toen ging het snel en kwam ik er met een schok achter dat politiek een hard en vluchtig vak is; zelf onderworpen aan de wetten van het populisme. We koesterden het populisme en waren er tegelijkertijd  bang voor. Want eigenlijk moest natuurlijk het salaris van de minister omhoog, er lag ook een rapport dat dat bepleitte. Maar daar 'ja' tegen zeggen in die tijd was politiek-maatschappelijke zelfmoord. Ik begrijp dat het nu eindelijk gaat gebeuren." 

Jinek:"Genoeg over die topinkomens. Laatste vraag. Toen ik het boek uit had dacht ik, de man wil terug aan het politieke front. Dat vond ik gek: gelouterd, maar wellicht onvoldoende radicaal. Meneer Plasterk: wilt u echt weer de politiek in? Mist u het?" 

Ronald Plasterk kijkt wat schichtig de tafel rond. Zoekt oogcontact met andere tafelgenoten die er niet zijn. Lacht wat verlegen. Snuift. Richt plotseling zijn hoofd op en spert zijn ogen open. Langzaam vernauwt hij ze weer en buigt het hoofd. 

De arbeidsvoorwaarden van het College van Bestuur en het beleid in dezen van de Raad van Toezicht vindt u op de site van Hogeschool Rotterdam.

Over de auteur

Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur

Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.

We gebruiken cookies om de website te verbeteren.