Ga direct naar de content

Ontmoeting 41

Ron Bormans over het 'onoplosbare' vraagstuk van studiesucces. De evaluatie van de invoering van de studiekeuzecheck (studenten melden zich sinds dit jaar aan per 1 mei) laat zien dat we op de goede weg zijn naar minder uitval in het eerste jaar.

Een van de meest hardnekkige vraagstukken in het (hoger) onderwijs is het vraagstuk van rendement. Zo zeiden we dat altijd, maar dat begrip is in een wat negatief daglicht komen te staan. Dus heet het tegenwoordig het vraagstuk van studiesucces.  Een hardnekkig, maar ook beladen vraagstuk. De doelstelling 'meer mensen met een diploma de deur uit' staat in een wat gespannen relatie met de doelstelling 'de lat zo hoog mogelijk'. Het is ook nog niet zo eenvoudig om tot een exacte bepaling te komen van wat die doelstelling dan precies betekent. Als we naar de wet kijken, dan kent die - met name in de omschrijving van de functie van het eerste jaar/de propedeuse - een erkenning dat uitval niet slecht hoeft te zijn.

In het Nederlandse hoger onderwijs, dat internationaal gezien relatief open en toegankelijk van aard is, is de propedeuse bedoeld voor 'oriëntatie, selectie en verwijzing'. Klaarblijkelijk moeten we proberen een goed onderscheid te maken tussen 'eigenlijke uitval' (de student en de opleiding doen hun uiterste best, maar klaarblijkelijk is deze opleiding  het niet voor deze student) en 'oneigenlijke uitval' (de student denkt niet goed na over de keuze en maakt er een potje van of de opleiding doet niet de goede dingen c.q. is te weinig geïnteresseerd in de student). En aangezien de grens tussen eigenlijk en oneigenlijk niet gemakkelijk te trekken is en bovendien steeds opnieuw invulling krijgt (de samenstelling van studentenpopulatie verandert voortdurend) vrees ik dat we van doen hebben met een onoplosbaar vraagstuk. Onoplosbaar in die zin van een onvermijdelijke imperfectie: het is namelijk nooit af. Inherent onoplosbaar, maar we mogen ons daar nooit bij neerleggen. 

Maandag 10 november: spaarcenten inzetten voor studiesucces

We beginnen de week met zo'n volgepropte dag. Na een zondagavond van heel veel lezen. Ik doe dat nog steeds met papier en vulpen. Vast zaterdagritueel is bij ons thuis dan ook de spreekwoordelijke plof op de mat van een centimeter of 6 tot 8 dik, rond een uur of 1. De postbode bezorgt de stukken voor de maandag en dinsdag, als ik de vrijdag niet in Rotterdam ben geweest.

We spreken als voltallig College van Bestuur met een viertal directies hun kwaliteitsplannen. Mijn collega Jan Roelof, verantwoordelijk voor het geld, opent steeds door de spelregels nog eens goed uit te leggen: we hebben besloten het gespaarde geld in te gaan zetten in het onderwijs, hetgeen technisch betekent dat we het komende jaar 7 miljoen euro tekort gaan draaien als hogeschool, waardoor we interen op ons eigen vermogen, onze spaarcenten. Jan kijkt dan altijd wat streng en praat wat afgemeten: bij die 7 miljoen moet het dan wel blijven. Terecht waarschuwt hij voor een situatie waarbij het meer geld uitgeven verward zou gaan worden met minder financiële discipline. Terwijl het feit dat we dat doen juist nog meer financiële discipline vraagt.

Dus beginnen we ons gesprek bij het instituut ook steeds financieel-technisch en bekijken we in detail de jaarbegroting 2015: sluit de begroting op nul, zetten we het extra geld in voor extra docenten, blijven we binnen de aangescherpte normen voor overhead?  Brengen we onze flexibele schil terug, investeren we voldoen in professionalisering door minstens 3% van de uitgaven daarvoor te reserveren (zoals in de CAO afgesproken)? Als dat allemaal helder is, kijken we naar de inhoudelijke ambities, in een meerjarig perspectief. We ijken daarmee de plannen op de uitgangspunten van ons Kwaliteitsprogramma Focus: 

  • is goed geanalyseerd wat moet gebeuren?
  • worden onze professionals voldoende betrokken bij de plannen?
  • gaat het geld naar extra docenten?
  • zetten we het geld in daar waar nodig?
  • investeren we in voldoende mate in begeleiding voor de snel toenemende groep studenten die moeite heeft af te studeren, vanwege strengere eisen?

De kwaliteit van de plannen loopt uiteen en ook de helderheid van de verslaglegging is niet overal hetzelfde. Dus trekken we verschillende conclusies, variërend van 'hartstikke goed en ga aan de slag' tot 'werk het verder uit en we komen er op terug'. 

Dinsdag 11 november:  het is nuttig om voor de poort net wat strenger te worden

Op dinsdagochtend vergadert het College van Bestuur. Van 9 tot half 1 werken we onze vaak uitpuilende agenda af, met in- en uitlopende collega's. Tussen half 1 en half 2 praten we in kleine kring - de drie bestuurders - met een broodje rustig en informeel over grote en kleine vraagstukken.

Prominent op de agenda staat de evaluatie van ons beleid met betrekking tot de studiekeuzecheck. De hogeschool heeft een enorme inspanning verricht om alle studenten die bij ons instromen een test voor te leggen en te verplichten tot een gesprek. De vraag die op tafel ligt is, is hoe effectief dat is geweest. Daarnaast vragen we ons af of we tot procesverbeteringen kunnen komen en - niet onbelangrijk - of we betere indicaties kunnen krijgen hoeveel méér studenten we uiteindelijk mogen verwachten dan vorig jaar. Immers, het aanmeldpatroon van studenten was afgelopen jaar zo anders, dat het in het voorjaar vooral  gissen was hoeveel van de aanmelders uiteindelijk in de collegebanken terecht zou komen. We waren onze referentie kwijt en geconfronteerd met 18.590 aanmelders op enig moment, ontstond hier en daar nervositeit. Uiteindelijk zijn overigens ruim 11.000 studenten naar de hogeschool gekomen.

We hebben geleerd dat:

  • betrokken docenten overwegend positief zijn over de procedure; zij ervaren het wel als belastend
  • indicaties of deze vorm van aanstaande studenten een spiegel voorhouden een positief effect op het rendement heeft, er vanzelfsprekend nog niet zijn, behalve dan dat de uitval in de eerste maand c.q. de no-show (studenten die überhaupt niet kwamen opdagen), teruggelopen is
  • de gemiddelde doorlooptijd (student meldt zich - student heeft de studiekeuzecheck doorlopen) van 66 dagen moeten en kunnen we bekorten, onder andere door studenten minder ruimte te bieden zelf de gesprekken in te plannen
  • ook omdat de cijfers laten zien dat de studenten die daar 'laks' in zijn of die wij niet actief genoeg opzoeken, voor een belasting kunnen  zorgen in de lastige zomermaanden, terwijl ze zich zelfs al in april kunnen hebben aangemeld
  • studenten de studiekeuzecheck overwegend gebruiken als bevestiging van hun aanvankelijke keuze
  • ze dus in zeker de helft van de gevallen een negatief advies niet opvolgen
  • we hier en daar beter en meer empatisch moeten communiceren als we jonge mensen afwijzen, met name waar het onze inschrijfdata betreft (ook al doen we dat formeel netjes, herkenbaar en correct)
  • er  nog teveel studenten zijn die zich (te) laat aanmelden, waardoor we heel veel moeten doen in de - qua capaciteit - kwetsbare zomermaanden, met als risico dat met name voor die doelgroep net wat te weinig kwaliteit geleverd kan worden.

De evaluatie geeft aanleiding om te veronderstellen dat onze inspanningen lonen. Het lijkt erop dat studenten bewuster gaan kiezen en gemotiveerder aan de studie beginnen.  We leren van de evaluatie en besluiten de projectstructuur die we het afgelopen jaar hebben gebruikt te continueren, zij het dat het accent meer komt te liggen op aansturing vanuit onze onderwijsinstituten. Meer opleidingen - het zijn er bijna 50 - kiezen ervoor selectief te zijn, dat wil zeggen dat de inschrijving voor 1 mei verplicht is. Daarmee willen we nog meer jonge mensen aansporen eerder na te denken over hun keuze en dat nog bewuster te doen dan inmiddels het geval is. 

Woensdag 12 november: de oplossing moet in de klas gevonden worden

Ik breng een ochtend door met leidinggevenden van verschillende hogescholen. We praten met elkaar in het kader van de door de Vereniging Hogescholen georganiseerde masterclasses over het vraagstuk van studiesucces, tegen een achtergrond van imposante, statig bewegende schepen en een weidse bocht van de rivier. We spreken elkaar aan de Maasboulevard te Vlaardingen. 

De managers worstelen. Ze ervaren niet altijd de steun van hun bestuur om met hun oplossing aan de slag te mogen gaan; ervaren tegenwerking om met unieke oplossingen aan de slag te gaan als gevolg van regels en adviezen uit de staf die uniformerend werken. Vinden het ook niet altijd gemakkelijk het gesprek met hun docenten aan te gaan. 

Het gesprek ervaar ik als inspirerend en leerzaam, met als rode draden de noodzaak het vraagstuk van studiesucces in de docentenkamer bespreekbaar te maken en ons niet te beperken tot het ontwikkelen van een zorgstructuur. Er is een besef dat 'die ene oplossing' er niet is (anders hadden we die al lang uitgerold) maar ook dat er 'best practices' zijn die vaak als gemeenschappelijke kern hebben: 

  • een duidelijke identiteit van de opleiding
  • docenten die dragers zijn van die identiteit
  • studenten die daar bewust voor kiezen
  • een stijl van doceren die het eisen van niveau paart aan empathie
  • onderwijskundige variatie
  • geen angst om fouten te maken
  • de moed hebben om uniek te zijn 

Donderdag 13 november: beschouw het bijzondere als normaal

De hogeschool organiseert het DenkAndersDebat. Mensen komen bijeen - op initiatief van ons Kenniscentrum Zorginnovatie - om met elkaar te praten over hoe mensen met een beperking hun kwaliteiten kunnen ontwikkelen door middel van studie en hun kwaliteiten kunnen etaleren doordat ze aan het werk raken. Ik mag de bijeenkomst openen en deelnemen aan het rondetafelgesprek.

De centrale boodschap is daarbij: durf anders te denken. Kijk er anders naar en dan zie je dat elk mens zijn kwaliteit en zijn beperking heeft. Door er anders naar te kijken wordt het bijzondere normaal, hoe bijzonder dat 'normale' soms lijkt te zijn. Onderwijs bestaat (voor elk type student, al dan niet met een 'officiële' beperking) daaruit dat je iets aanbiedt aan jonge mensen dat hen bevestigt in hun kwaliteit en helpt de beperking te overwinnen. 

Het vraagstuk van studiesucces is 'onoplosbaar' in die zin dat elke tijd zijn eigen uitdaging meebrengt en 100% studiesucces niet mogelijk en zeker niet wenselijk is. Het vraagstuk van studiesucces is daarmee onoplosbaar in die zin dat we het als onderwijs altijd bij ons zullen dragen.

Het vraagstuk van oneigenlijke uitval is daarentegen wel degelijk oplosbaar. Maar alleen als we bereid zijn een stap te zetten die in de praktijk even vanzelfsprekend als radicaal blijkt te zijn. We krijgen greep op het grote vraagstuk van studiesucces als we er 'klein' over durven te denken: in de kern gaat het om de interactie tussen docent en student. Als die interactie van een kwaliteit is dat de student zich gehoord, erkend en begrepen voelt, dan zal het oneigenlijke in de uitval teruglopen. Om dat voor elkaar te krijgen moeten we goed kijken naar de condities waaronder dat lukt, maar uiteindelijk moeten we bij die interactie uitkomen en ligt de vraag op tafel hoe onze professionals die uitdaging kunnen oppakken en hoe wij managers hen daarbij kunnen helpen.

Over de auteur

Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur

Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.

We gebruiken cookies om de website te verbeteren.