Wat zijn voornaamwoorden?
Voornaamwoorden zijn functiewoorden die je gebruikt om naar jezelf of anderen te verwijzen, zoals ik, mij, mijn, jij, jou, jouw, hij, hem, zijn, zij, haar. We gebruiken allemaal voornaamwoorden wanneer we over iemand praten. Of het nu gaat om iemand die cisgender is (het gender komt overeen met het geboortegeslacht) of transgender (het gender komt niet overeen met het geboortegeslacht). Voornaamwoorden laten zien wie iemand is en hoe diegene gezien wil worden.
Voorbeelden van voornaamwoorden:
- zij/haar/haar
- hij/hem/zijn
- hen/hen/hun
- die/hen/hun
- die/die/diens
'Ik waardeer het als mensen ernaar durven te vragen'
“Medestudenten weten soms niet hoe ze mij moeten aanspreken. Sommigen vragen gewoon: ‘Wat zijn je voornaamwoorden?’ Anderen vermijden het uit angst om iets verkeerds te zeggen, of gebruiken wat ze denken dat goed is. Docenten spreken mij meestal aan met mijn voornaam. Natuurlijk zijn er ook SLC’ers en docenten die er echt naar durven vragen, en dat waardeer ik enorm.”
“Mensen mogen naar mij verwijzen met alle voornaamwoorden, maar ik snap dat het voor iemand die alleen hij/hem en zij/haar gebruikt lastig kan zijn om andere vormen te horen. Uiteindelijk draait het om respect voor iemands identiteit.”
“Vind je het moeilijk of weet je het niet zeker? Noem iemand bij hun voornaam. Die is altijd goed!”
Genderneutrale voornaamwoorden gebruiken
Genderneutrale voornaamwoorden als die/hen/hun en die/die/diens verwijzen naar een persoon zonder iets te zeggen over gender. Het gebruik van de juiste voornaamwoorden laat zien dat je iemand respecteert en die persoon zich veilig mag voelen om zichzelf te zijn.
Voorbeeld:
- Die luistert muziek in de studieruimte. Ik spreek hen aan, want hun muziek staat te hard.
- Hen gaf mij laatst heel goed advies. Ik spreek hen vandaag weer, want hun spreekuur is in de middag.
'Mensen verwachten vaak dat je voornaamwoorden overeenkomen met hoe je eruitziet'
“Ik gebruik die/diens- en they/them-voornaamwoorden. Dat stond ook op mijn naamkaartje tijdens de introductiedag. Voor veel mensen is het lastig om in het Nederlands de juiste voornaamwoorden te gebruiken; in het Engels gaat dat vaak makkelijker.”
"Omdat ik vrij femme presenting ben – mijn uiterlijk wordt als vrouwelijk gezien – krijg ik vaak ‘zij/haar’ te horen. Mensen verwachten vaak dat je voornaamwoorden overeenkomen met hoe je eruitziet. Terwijl er geen regels zijn over hoe je eruit moet zien om non-binair te zijn. Als je er niet androgyn genoeg uitziet, gaan mensen al snel uit van de default, wat bij mij dus zij/haar is. Ik vermeld mijn voornaamwoorden in mijn e-mails, maar merk dat niet alle docenten dit oppikken. Het is lastig om in te schatten of ze onwelwillend zijn om die/diens te gebruiken, of dat ze het gewoon vergeten.”
“Maak je een fout? Zeg sorry, verbeter jezelf en ga verder. Zelfs onbedoeld kun je mensen kwetsen.”
Gender-inclusief handelen
Hoe weet je hoe je iemand moet aanspreken?
- Luister naar hoe anderen iemand aanspreken.
- Twijfel je? Vraag het gewoon! Bijvoorbeeld met een: “Wat zijn de juiste voornaamwoorden om naar jou te verwijzen?”
- Vermijd het gebruik van voornaamwoorden als je niet weet welke passend zijn. Gebruik in plaats daarvan de naam of herschrijf de zin.
- Vermijd aannames op basis van uiterlijk, dat versterkt stereotype denkbeelden.
Wat als ik een fout maak?
Fouten maken overkomt iedereen. Bied kort je excuses aan, gebruik het juiste voornaamwoord en ga door. Te veel nadruk op je fout maakt het alleen ongemakkelijker.
Voornaamwoorden gebruiken in de praktijk
- Stel jezelf voor met je voornaamwoorden. Bijvoorbeeld door te zeggen: “Ik ben Alex, mijn voornaamwoorden zijn zij/haar.”
- Vraag vriendelijk en respectvol naar de voornaamwoorden van een ander.
- Vraag niet 'Welke voornaamwoorden hebben je voorkeur?'. Het woord 'voorkeur' impliceeert dat het om iets vrijblijvends gaat, terwijl voornaamwoorden bij iemands identiteit horen.
- Gebruikt iemand meerdere voornaamwoorden, zoals zij/die/hen, dan verwijs je naar deze persoon met alle drie de voornaamwoorden. Bijvoorbeeld: “Ik kom net van Kaya, die zit nog steeds ziek thuis. Ik heb hun boodschappen gedaan. Ze hoopt er volgende week weer bij te zijn.” Je hoeft niet per se alle voornaamwoorden in één zin te gebruiken. Het gaat erom dat je afwisselt.
- Voeg je voornaamwoorden toe aan je email-handtekening, Teams-profiel of Instagram-bio. Zo laat je zien dat je bewust omgaat met genderdiversiteit en creëer je ruimte voor anderen om dat ook te doen.
Read in English
More and more people want to be addressed with pronouns that match their gender identity. In addition to the binary forms she/her and he/him, gender-neutral pronouns such as they/them, hen/hun, and die/diens are becoming increasingly common. These words create space for people who don’t feel (fully) male or female, or who place themselves outside these boxes. But what exactly are pronouns? And how can you make your language gender-inclusive?
What Are Pronouns?
Pronouns are function words you use to refer to yourself or others, such as I, me, my, you, your, he, him, his, she, her. We all use pronouns when talking about someone—whether that person is cisgender (their gender matches their sex assigned at birth) or transgender (their gender does not match their sex assigned at birth). Pronouns show who someone is and how they want to be seen.
Examples of pronouns:
- she/her/her
- he/him/his
- they/them/theirs
Student Voices
“Fellow students sometimes don’t know how to address me. Some just ask: ‘What are your pronouns?’ Others avoid it out of fear of saying something wrong, or use what they think is correct. Teachers usually call me by my first name. Of course, there are also staff who dare to ask, and I really appreciate that.”
“People can refer to me with any pronouns, but I understand that for someone who only uses he/him of she/her, it can be hard to hear other forms. It’s about respecting someone’s identity.”
“Find it difficult or unsure? Use someone’s first name. That’s always right!”
Using Gender-Neutral Pronouns
Gender-neutral pronouns like die/hen/hun and die/die/diens refer to a person without saying anything about gender. Using the correct pronouns shows respect and helps someone feel safe to be themselves.
Example:
- They are listening to music in the study room. I speak to them because their music is too loud.
- They gave me great advice recently. I’ll talk to them again today because their office hours are in the afternoon.
“I use they/them pronouns. That was also on my name tag during orientation. For many people, it’s harder to use the right pronouns in Dutch; in English, it often feels easier.”
“Because I’m quite femme-presenting—my appearance is seen as feminine—I often get ‘she/her.’ People expect your pronouns to match how you look. But there are no rules about how you should look to be non-binary. If you’re not androgynous enough, people default to what they assume, which for me is she/her. I include my pronouns in my emails, but notice not all teachers pick up on that. It’s hard to tell if they’re unwilling to use die/diens or if they just forget.”
“Did you make a mistake? Say sorry, correct yourself, and move on. Even unintentional mistakes can hurt.”
Gender-Inclusive Practices
How do you know how to address someone?
- Listen to how others address them.
- Unsure? Just ask! For example: “What pronouns should I use for you?”
- Avoid using pronouns if you don’t know which ones are appropriate. Use their name or rephrase the sentence.
- Avoid assumptions based on appearance—this reinforces stereotypes.
What If I Make a Mistake?
Mistakes happen to everyone. Offer a brief apology, use the correct pronoun, and move on. Overemphasizing your mistake only makes things more uncomfortable.
Pronouns in Practice
- Introduce yourself with your pronouns. For example: “I’m Alex, my pronouns are she/her.”
- Ask politely and respectfully about someone else’s pronouns.
- Don’t ask for “preferred pronouns”—that implies some pronouns are optional.
- If someone uses multiple pronouns, such as she/they, refer to them using all the pronouns they’ve shared. For example: “I just saw Kaya, who is still home sick. I did their shopping. She hopes to be back next week.” You don’t need to use all pronouns in one sentence; the point is to alternate.
- Add your pronouns to your email signature, Teams profile, or Instagram bio. This shows you’re mindful of gender diversity and creates space for others to do the same.