Daniël zit op een klein stoeltje en twee leerlingen komen bij haar staan. Ze staan dicht bij elkaar en vormen met z’n drieën een kleine, gesloten kring. Een meisje heeft een pop in haar armen en zegt: “Juf, de baby moet huilen!”
Daniël: “Ah, wat vervelend. Hoe komt dat, denken jullie?”
De meisjes: “Ik weet het niet. Ze heeft geen honger, ze heeft al een schone luier, maar ze blijft wel huilen.”
Ondertussen zie ik in mijn ooghoek een ander meisje wat drentelen buiten die kring. Ze loopt een beetje om het kleine groepje van drie heen en blijft af en toe even stilstaan. Vrijwel direct voel ik spanning bij mezelf: dit meisje lijkt ‘erbij te willen’. Toch maakt ze nauwelijks oogcontact met Daniël en neemt ze ook niet het initiatief om zichzelf ertussen te fietsen. Dan loopt ze weg. Ik volg haar toch even met mijn blik en zie dat ze een vestje uit de ladekast in de hoek trekt.
Ze loopt weer terug naar Daniël en de meisjes en laat hetzelfde gedrag zien: drentelen, blik op oneindig, weinig initiatief. Wat er dan in dat korte moment gebeurt, is een teken van Daniëls vakvrouwschap. Ondanks het feit dat zij druk in gesprek is met de twee meisjes, en ook nog aan het oefenen is met didactisch coachen, merkt ze het derde meisje op.
Ze noemt haar naam en zegt: “Volgens mij heb jij een hele goede oplossing gevonden, klopt dat?” Ze nodigt het meisje uit in de kleine kring, en dan niet zomaar, maar lekker dicht bij de juf. Ze mag vertellen wat zij denkt: “De pop heeft het koud, denk ik.”
Dan volgt er een hele toestand met het aantrekken van het vestje en zijn ze met z’n vieren in de weer. Het derde meisje is opgenomen in de groep en mag meedoen. Je weet het natuurlijk nooit zeker, maar het kan best eens zijn dat dit meisje zojuist ergens de boodschap heeft opgeslagen: ik hoor erbij en wat ik zeg doet ertoe. Is goud!