Menu
Zoeken English

Ontmoeting 166 | De rek is eruit

Elke fase van deze coronatijd kent zo haar eigen mantra. In die eindeloze echo van mediaberichten en talkshows hoor je dan steeds dat ene woord, die ene zin, dat ene begrip. In een tijd dat zowel de winter als de lente in een kort tijdsinterval de mensen uit hun huizen lokt, klinkt nu voortdurend: de rek is eruit. Met verwarring kijken we naar de beelden van het Vondelpark. Het ligt er op enig moment bij als een festivalterrein na twee dagen feest. De rek is eruit.

De overheid verlaat haar routekaart-gedreven aanpak en maakt de samenleving net wat meer open. Het is een beetje het beeld van de ouders die vlak voor dat ze een weekendje weggaan, hun kinderen de sleutel geven van het huis en hen vermanend toespreken wat er allemaal niet mag, terwijl via de achterdeur de eerste kratjes bier binnengedragen worden.

Aan de tafel bij Jinek schuiven de vertegenwoordigers aan van sectoren die vinden dat zij ook het recht hebben meer open te gaan. Het meest frequent de meneer van de terrassen, dus die gaan vast open binnenkort. De Tweede Kamer levert bij het kabinet haar wensenlijstjes in. Het hoger onderwijs staat er inmiddels prominent op, nadat er ruimte is gegeven aan het voortgezet onderwijs en het mbo. Collega-bestuurders beginnen, zij het wat aarzelend, te roepen dat we ‘open moeten’. Want de rek is eruit. Ik aarzel. Altijd wel bereid stevig stelling te nemen, maar deze keer minder. Het heeft iets hijgerigs. Nu snel meer open gaan is goed. Dat inbedden in een meer solide lange termijn perspectief is beter.

Mag het een tandje minder?

Een collega windt zich op in ons blad Profielen. De trots die de hogeschool regelmatig uitstraalt over de weerbaarheid van onze collega’s en vooral studenten interpreteert zij als een ongezonde focus op het kost wat kost overeind houden van de studievoortgang met een onverantwoord hoge prijs: het welzijn is het kind van de rekening. “Ik vraag mij af of ik de enige ben die hier niets van begrijpt. De enige die denkt dat we ons niet op de borst zouden moeten kloppen, maar diep zouden moeten schamen voor zoveel stupiditeit. De enige die zich afvraagt waarom citoscores, examenresultaten en nominaal studeren zwaarder wegen dan het mentaal welzijn van een hele generatie.”

Stevige woorden, waar iets op af te dingen is. Hoe je naar de wereld kijkt, bepaalt klaarblijkelijk hoe je berichten interpreteert, maar als je daar doorheen kijkt onderschrijf ik de kern van het betoog eigenlijk wel. Ten koste van alles de schade proberen te beperken geeft meer schade dan we ons realiseren. Zeker ook op de wat langere termijn. Eerder heb ik me erover uitgesproken dat we zouden moeten stoppen de ene reparatie na de andere uit te voeren. Dat we er veel beter aan zouden doen jonge mensen een jaar extra te geven in plaats van hijgerig in dezelfde tijdschema’s van (af)studeren te blijven hangen die we pre-corona gewend waren.

Grilligheid dwingt tot een permanente improvisatie

Feit is dat we nu een jaar in een permanente staat van improvisatie c.q. onrust leven. Afschalen wordt afgewisseld met opschalen en vice versa. We verlangen naar een zekere rust om het onderwijs opnieuw te ontwerpen, lering te trekken uit wat goed is gegaan het afgelopen jaar, wat we missen doordat we de fysieke ontmoetingen beperkt hebben tot het praktijkonderwijs en toetsen, om daarmee voorbereid te zijn op een situatie dat we vol naar de hogeschool kunnen komen. Want dat is wat we post-corona gaan doen: terug naar school, met eenzelfde intensiteit als pre-corona. Als corona voorbij is, beter gezegd als corona een endemie is in plaats van een pandemie, gaan we les geven, projecten doen en onderzoek verrichten op locatie. Maar dan wel met onderwijs dat (ook) online verzorgd wordt daar waar dat goed kan, om daarmee de ruimte te creëren om het fysieke onderwijs en de ontmoeting op de hogeschool van een nog hoger niveau te laten zijn.

En daarom spreek ik me nu niet uit dat we meer open moeten, met hetzelfde volume als de meneer van de terrassen. Als we ruimte gaan krijgen om meer op locatie te gaan doen, dan zullen we die ruimte met gretigheid omarmen. Onze studenten en medewerkers verlangen ernaar. We zijn er ook klaar voor. Maar laten we dan wel proberen dat gepaard te laten gaan met een wat langere termijn perspectief. Dat moet mogelijk zijn als we durven extrapoleren hoe de vaccinatie zich ontwikkelt én als we bedenken welke mogelijkheden vormen van snel- en zelftesten gaan bieden. In Rotterdam draaien we samen met de Erasmus Universiteit en Albeda een van de pilots op het gebied van sneltesten. Het moet mogelijk zijn een routekaart te ontwikkelen die ‘meer open’ op korte termijn in een perspectief plaatst van nog meer ruimte met ingang van september én na de herfstvakantie. Deze crisis wordt pas echt hanteerbaar bij een reëel perspectief op de wat langere termijn, en dat is te ontwerpen. 

Als we open gaan om vervolgens het risico te lopen dat we midden in de derde golf ons weer moeten gaan beperken tot het praktijkonderwijs en toetsen op locatie, dan blijven we tot de zomer op- en afschalen. Dan komen we niet goed toe aan het goed doordenken van wat we wel of niet geleerd hebben en komen we niet toe aan het ontwerpen van wat we vanaf september en verder aan onze studenten willen gaan aanbieden. We weten dat dat een behoorlijke ontwerpklus is, waar niet gemakkelijk over gedacht moet worden. Als we hier gehaast mee omgaan blijven we hangen in het vertalen van wat we ooit op locatie deden richting online. En – nog belangrijker – komen we straks bij het open gaan in de verleiding niet méér te doen dan terug te gaan naar vroeger.

Minister van Engelshoven spreekt met studenten

We weten uit enquêtes dat studenten verschillend reageren op deze crisis. De schade in termen van vertraging is beperkt. Er is een categorie studenten die zich heel goed redt met het online onderwijs, maar er is een ook een categorie studenten die een prijs betaalt, in termen van welzijn. De somberheid neemt toe én een behoorlijk deel van de studenten ervaart het onderwijs als minder rijk, verschraald.

Getallen indiceren wat gaande is, de echte verhalen kleuren het in. De minister luisterde afgelopen week naar een aantal van onze studenten, die samen eenzelfde beeld schetsen als uit de enquêtes blijkt. Studenten vertellen dat deze manier van lesgeven, als het gaat om kennisoverdracht, hen beter past. Efficiëntie en flexibiliteit zijn sleutelwoorden. Studenten vertellen ook dat ze de hogeschool missen, dat ze het gevoel hebben dat de leerervaring minder diepgaand is, dat ze het van elkaar leren missen. Dat somberheid op de loer ligt. De minister luistert en wil zich inspannen om snel die ruimte te gaan verschaffen.

Loyaal naar onze jeugd toe

Mijn Leidse collega, Sander van den Eijnden zei het mooi. De jonge mensen die bij ons zijn bevinden zich in een vormende fase van het leven. In die fase ervaren zij nu een vorm van beknotting die zich niet verhoudt tot de drang de wereld te verruimen. We moeten ervoor zorgen dat als zij over 20 jaar terugkijken op deze periode, zij terugkijken op een tijd dat de samenleving solidair was met hen. Dat de samenleving naast hen is gaan staan en meer deed dan verontwaardigd te zijn over de rommel die ze achterlieten in het Vondelpark.

Zo kijk ik ook naar het pakket van maatregelen dat de Ministers van Onderwijs hebben afgekondigd. Het pakket was nog niet gelanceerd of het cynisme en het typische onderwijsgemopper in de commentaren droop alweer van Twitter af. Je kunt veel aanmerken op de maatregelen. Mij spreekt de symboliek aan. Ook de overheid geeft hiermee een signaal van solidariteit af.

We hebben een langetermijnvisie nodig

Alles wat we vanaf nu gaan doen, zou in dienst moeten staan van het welzijn van onze studenten en de kwaliteit van het onderwijs. Ik verlang naar een tijd dat het hijgerige en grillige van de maatregelen eraf gaat en dat we beter kunnen doordenken hoe het onderwijs er uit moet zien, in het licht van de lessen die we nu trekken. En dat we – bovenop het pakket dat er nu ligt - nog een volgende stap kunnen zetten in het ruimte geven aan onze studenten, zodat voor hen de druk eraf gaat en ook zij zich durven richten op het komende jaar. Dat moet niet, maar die ruimte zou er moeten zijn.

Ik verlang naar een wat langere lijn in het beleid, waarbij we wat mij betreft drie fases onderscheiden: tot de zomer, vanaf september en de periode na oktober. Als we de vaccinatieaantallen extrapoleren, beter zicht krijgen op het potentieel van sneltesten en dergelijke en komen tot alternatieve invullingen van het anderhalvemeter-beleid (hetgeen absoluut noodzakelijk is, anders komen we nooit tot een intensiteit van gebruik van onze gebouwen boven de 40 procent), dan zou je aan die data een mooi oplopend schema van intensiteit van onderwijs op locatie kunnen koppelen.

De rek is eruit

Naast onze jeugd staan, is geen kwestie van korte termijn politiek. Naast onze jeugd staan vraagt een meerjarige aanpak en stabiel beleid. De grilligheid van af- en opschalen helpt dan niet. Uitstralen dat je als student mag vertragen, ervoor zorgen dat de student daar geen prijs voor betaalt (“geef studenten een jaar van hun jeugd terug”), helpt wel.

Naar die wat langere termijn kijkend, stel ik me neutraal op of we op de kortst mogelijke termijn meer open moeten of niet. Als dat ons maatschappelijk antwoord wordt op het feit dat de rek eruit is, dan is Hogeschool Rotterdam daar klaar voor en zullen we daar invulling aan geven. Maar de rek is er zodanig uit dat een wat steviger langetermijnvisie passender zou zijn. 

We gebruiken cookies voor analyse en marketing om de website te verbeteren.

Wijzig cookie-instellingen