Menu
Zoeken English

Ontmoeting 147 | Bestaat de school nog over tien jaar?

Over wiskunde, nieuwjaarsrecepties, voorspellingen en nieuw leven.

Ik heb mijn jas al aan. Het is kwart over 6, woensdag 8 januari. De bijspijkerles wiskunde voor mbo’ers die ik bijwoon, is zo ongeveer – nog niet helemaal - voorbij, maar in groepjes praten docente en studenten door. Ik voel plotseling onrust. Gedurende de dag – en de les – zoemt mijn telefoon. Het is deze keer vooral onze gezinsapp. Ik besluit, ook al is het wat plotseling, te vertrekken. “Ik moet gaan, want ik word opa.” En weg ben ik.

Die avond wordt in Berlijn mijn kleindochter Lotte Juliane Bormans geboren, dochter van Julia en mijn zoon Julius. Voordat ik het lokaal uit ben, roept de docente ontroerd: “Mooi, nieuw leven”.

De pessimisten zien het te somber, de optimisten te zonnig

De vakantie is voorbij. De tijd van terug- en vooruitblikken sluiten we, met het opruimen van de kerstboom weer af. De Volkskrant had overigens een aardige analyse tijdens de vakantie: de meeste voorspellingen komen niet uit. De krant lanceert een mooie vuistregel: de pessimisten zien het te somber, te optimisten te zonnig.

Als ik de eerste maandag na de vakantie door het gebouw loop, handen schud, met mensen praat, werpt op enig moment een collega de vraag op: ‘” Hoe zou de hogeschool er over tien jaar uitzien?” De vraag blijft de hele dag in mijn hoofd hangen.

De vraag komt later die dag terug als ik – samen met mijn collega-bestuurders – lunch met de leden van onze medezeggenschapsraad. Een docent van onze sociale opleidingen komt met een kordate voorspelling: “De school zal nog net zo betekenisvol zijn als nu, nog nadrukkelijker verbonden met de stad Rotterdam, aanwezig – ook fysiek - in de haarvaten van die stad.” En met een glimlach: “Met ICT die helpt en niet één die ergert.”

School en optimisme zijn één

Ik denk weleens dat school het meest optimistische concept is dat bestaat. En, dat we zorgvuldig moeten omgaan met dat concept. Het is niets minder dan een basaal fundament van een samenleving. Het is de plek, de fysieke plek, waar geleerd wordt, waar jonge mensen worden gevormd en waar in- en opgeleid wordt voor de toekomst. Een plek die de veiligheid en geborgenheid biedt die nodig is om te leren. Die deels de buitenwereld omarmt, maar diezelfde buitenwereld ook wat buiten de deur houdt. Die subtiele balans is essentieel.

Docenten spelen daarin een cruciale rol. De school is de toekomst. Dat idee moeten we ook goed in gedachten houden als we nadenken over het onderwijs van de toekomst, als we de rol van ICT doordenken, de betekenis van big data, het laten samensmelten van de binnenwereld van de school en de buitenwereld. Ik kom te vaak in gesprekken terecht waarin mensen zichzelf de vraag stellen: “Bestaat in de toekomst de school nog wel?” En dan iets te gemakkelijk filosoferen over een samenleving zonder scholen. Ja, roep ik dan, ook in de toekomst bestaan scholen. Een zeker conservatisme in deze, is heel modern.

School staat voor vrijheid

Het begrip school is afgeleid van het Griekse begrip ‘vrije tijd’ (‘scholè’). Het is een vorm van beschaving en moderniteit en het is van vitaal belang dat je voor jonge mensen tijd weet te organiseren om op school te kunnen zijn.

Ook over 10 jaar is er een plek waar jonge mensen met docenten samenkomen om te leren. En om zichzelf de ‘vrijheid’ te verschaffen om een plek in de samenleving te krijgen. Dat is overigens geen voorspelling en zeker geen naïef optimistische. Daar moeten we gewoon voor zorgen.

Van basiskamp naar de top

Onderwijs is gebaat met een basiskamp, de school. Maar daarmee sta je nog niet op de top. Wat we over tien jaar zullen zien, is dat het onderwijs, op hetzelfde moment dat de school zich als institutie nog sterker in de samenleving genesteld heeft dan nu het geval is, ook letterlijk in die samenleving gekropen is. Dat de school de ambiguïteiten van die samenleving opzoekt, de zogeheten cross-overs tussen disciplines durft te omarmen, dat het onderwijs letterlijk verzorgd wordt op die plekken in de samenleving waar het gebeurt; het bedrijf, de basisschool, de kerk, de straat, het ziekenhuis. De moderne tijd kent een dynamiek die niet te vangen is in de kokers van de disciplines. En de opgave bestaat daaruit dat we de disciplines koesteren, als onderdeel van ons basiskamp en ze vanuit die zekerheid durven te overstijgen.

Zo ontstaat een beeld van hoger beroepsonderwijs, gestructureerd in de eerste jaren, met les in het klaslokaal, deels disciplinair georganiseerd, met een uitnodiging in latere jaren dat basiskamp te verlaten, op zoek naar een ieders top. Met allerlei (moderne) manieren waarop het onderwijs en ‘het echte leven’ zich verbinden: digitaal, door werkplekleren, door stages, door leren en werken combineren. Onderwijs en onderzoek gaan hand in hand, het klaslokaal is ín de fabriek. Dat alles in de wetenschap dat ook in die fase het basiskamp beschikbaar blijft om naar terug te keren...

y = x² + 6x + 5

Mbo-studenten die bij ons Informatica of Technische Informatica studeren, krijgen bijles wiskunde. Extra oefenen in het basiskamp. Op het programma staan de tweedegraadsvergelijkingen, in het bijzonder de abc-formule. Mijn favoriete wiskunde. Het heeft iets elegants. Overigens, niet die abc-formule, dat is een truc die je kunt toepassen zonder te weten wat je doet. Maar elegant is wel het ontbinden in factoren. Dat je van x² + 6x + 5 = 0 naar (x+5) (x+1) = 0 kunt gaan, waarmee de oplossing van de vergelijking in beeld komt. Docente Karin den Heijer plaatste eerder op de dag een tweet die veel zegt.

Ze maakt tempo. Lijkt haast te hebben. Op enig moment blijkt waarom. “Nu wordt het leuk”, zegt ze, “We gaan parabolen tekenen!”. Ik schuif aan bij een groepje studenten en reken en teken mee: punten op de x-as, een punt op de y-as en de coördinaten van de top. Parabolen, voor de niet-wiskundigen, hebben een laagste punt of een hoogste punt. Dat heet de top. En alsof het eerbetoon is aan het optimisme dat onderwijs is, maakt de docente duidelijk dat “ook als het een dal is noemen wiskundigen het een top”.

De toekomst

De eerste week van het jaar wensen we elkaar alle goeds en is het een week van recepties. Ik mocht de nieuwjaarswensen van de burgemeester horen, de nieuwjaarsreceptie van Rotterdam bijwonen en veel collega’s de hand drukken. Een week van optimisme en positiviteit. Als we dat nu eens vasthouden, zeker in het onderwijs, de plek bij uitstek waar de toekomst centraal staat en waar we die toekomst kunnen maken.

Dus nog een keer, mijn oprechte wensen voor 2020 en verder: alle goeds, voor ons allen, in het bijzonder voor onze jeugd, in het bijzonder voor alle studenten van Hogeschool Rotterdam.

Maar bovenal voor mijn kleindochter Lotte, in het verre Berlijn.

Over de auteur

Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur Hogeschool Rotterdam

Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.

We gebruiken cookies voor analyse en marketing om de website te verbeteren.

Wijzig cookie-instellingen