Menu
    English

    Ontmoeting 156 | Het mondkapje

    Een week naar Berlijn. We keken er al lang naar uit. Sinds het weekeinde dat de wereld in een domino-metafoor dicht ging, waren we er niet meer geweest. En tijdens dat bezoek was het in de armen sluiten van ons kleinkind uit den boze. We bleven – in de dramatiek de ultieme zekerheid opzoekend - op 2,5 meter afstand in plaats van de bekende anderhalve.

    Dus keken we uit naar Berlijn en hadden we inderdaad een mooie week. Soms met een ongemakkelijk gevoel. Hoewel Duitsland en Berlijn stralend geel waren op de advieskaarten van Buitenlandse Zaken, had ik soms het misplaatste gevoel dat ik iets deed wat eigenlijk niet kon. De mondkapjes waren mee, in ruime hoeveelheid. Duitsland kent andere, deels strengere voorschriften dan ons land. Het werd een prachtige week, ondanks de beslagen bril door het mondkapje, ondanks dat ongemakkelijke gevoel.

    Besturen met beperkte kennis

    Wie had een jaar geleden gedacht dat het mondkapje ooit een emotioneel en vaak beladen debat zou gaan oproepen? Als symbool van de vraagstukken van nu. Het mondkapje was het domein van mijn tandarts, mensen uit Azië of met een Aziatische achtergrond, wandelend in de stad. Het was onderdeel van het kostuum van de bouwvakker én de chirurg. Het was er en ik vond er niets van. En op een dag ligt de vraag van een leidinggevende op mijn bord: is het goed dat ik een mondkapje ga dragen? Het gesprek in ons Corona-crisisteam daarover is stevig te noemen en het duurt even voordat we een conclusie hebben.

    Normaal gesproken proberen we, waar het gaat om vraagstukken die buiten onze competenties vallen, die te beantwoorden door te zoeken met de wetenschap en/of het nationale beleid. Het nationale beleid is wat ambigu. Het uitgangspunt is ‘geen mondkapjesplicht’, de ruimte voor lokaal beleid is groot – en wordt in Rotterdam ook gebruikt – en in sommige domeinen is er weer wél een plicht, bijvoorbeeld het openbaar vervoer.

    Dan maar even kijken wat de wetenschap zegt. Die boodschap is ook wat ambigu, want verschillend, nationaal en internationaal. Onze eigen RIVM zegt het als volgt: “De literatuur is niet eenduidig over het effect van het dragen van niet-medische mondkapjes in openbare ruimten. Waarschijnlijk helpen mondkapjes maar beperkt bij het voorkomen van besmetting van anderen. Als iedereen zich houdt aan de basisregels, is het niet nodig om een mondkapje te dragen.”

    Dus komen we tot een lijn die in zichzelf ook wat ambigu is. Omdat de uitgangspunten dus wat ambigu zijn én je een niet-eenduidige overkoepelende lijn wil combineren met een motief om het mondkapje te dragen, hetgeen op individueel niveau valide kan zijn. Er is dus geen plicht binnen Hogeschool Rotterdam, maar we staan toe dat individuele collega’s om hen moverende redenen een mondkapje dragen. Geen collectieve lijn dus, maar een appèl op de individuele verantwoordelijkheid. Hoe minder we zeker weten, hoe meer we zelf moeten nadenken. En het feit dat leidinggevenden een mondkapje dragen is geen uitdrukking van een generieke lijn, maar van diezelfde individuele afweging.

    Het onvolmaakte koesteren

    De NRC kopt, in een commentaar op Zomergasten met professor Goudsmit: “Zomergast Goudsmit schetst een pijnlijk, eerlijk beeld van de wetenschap”. Over de wetenschap die beperkt is, blundert, toevalligheden kent, beloftes (van een snel vaccin) niet altijd kan nakomen. Dit stelt hij niet in plaats van de kracht van wetenschap, de zekerheden, het succes, maar als iets dat de wetenschap altijd flankeert. Het besef dat we heel veel weten en ook heel veel niet, ook in 2020, in een wisselende balans.

    Dat eerlijke beeld maakt het spannend. In een wereld waarin fake-nieuws meningvormend is, complottheorieën welig tieren, meer en meer mensen van mening zijn dat de aarde plat is en mensen hun opvatting stoelen op de facebook-werkelijkheid of op eenzijdige, ideologisch georiënteerde of eenzijdig uit het buitenland komende nieuwsstromen, zou je willen dat er iets als objectiviteit bestaat. Die is er vaak, maar vaak ook niet. De wetenschap is niet volmaakt. En dus valt zij ten prooi aan opvattingen als “wetenschap is ook maar een mening”. Of wordt zij genegeerd, ook door hoogopgeleiden.

    Los van haar onvolmaaktheid is de wetenschap in zekere zin ook bescheiden in haar waarheidsclaim. De door de wetenschap zelf gecultiveerde en deels methodologisch ingebedde twijfel, maakt haar kwetsbaar en die twijfel legitimeert het stellige eigen gelijk van de individuele, ongefundeerde mening; in de ogen van de vertolker daarvan, uiteraard.

    Die kwetsbaarheid is reden haar te koesteren. Omdat zij uiteindelijk gebaseerd is op waarden die ons verder brengen: de bekende, strenge methodologische waarden van geldigheid en betrouwbaarheid. Huiselijk gezegd: voordat je iets als ‘waar’ aanneemt, check je, op een zorgvuldige en gecontroleerde manier, of dat zo is. Kennis heeft een hogere status als zij ontwikkeld is met die waarden als grondslag. Wetenschap is zo veel meer dan ‘ook maar een mening’.

    “Hoe weet jij dat?”

    Daarmee staan die waarden ook voor een houding, die van groot belang is in het onderwijs, juist in het hbo. Onze opdracht in het hbo moet zijn professionals af te leveren met een onderzoekende houding. Het ideaal is reflectieve praktijkmensen af te leveren; praktijkmensen die impliciete en expliciete kennis steeds gebruiken om hun werk te doen en steeds de uitdagende vraag te stellen hoe het beter kan. Die het ook niet erg vinden uitgedaagd te worden met de vraag waarom ze de dingen doen zoals ze die doen, waarom ze iets vinden, wat ze vinden. Die niet schrikken van de vragen “Waarom doe je dat zo?” en “Hoe weet je dat?”.

    Onze opdracht daarbij is die vragen niet alleen te stellen in het hart van de professie waar we voor opleiden, maar breder, ook als jonge mensen beweringen doen buiten dat bepaalde – en overigens moeilijk af te bakenen – domein, bijvoorbeeld over maatschappelijke kwesties. Als we die houding alleen aanleren in die smallere context en niet in de bredere, dan geven we als school een onduidelijk signaal af. Je moet in de ene context zorgvuldig redeneren en in de andere context mag je zo maar iets beweren? Als dat gebeurt – en het gebeurt – verliest de school zijn kracht én geloofwaardigheid.

    “Kun je alsjeblieft een klein beetje onderzoek doen naar dit onderwerp…”

    Voor de zomer riep een blog, gepubliceerd op de site van Profielen, een stevige discussie op. Ook de hogeschool – en ikzelf – werd stevig bekritiseerd omdat we weigerden de blog te verwijderen. Die handeling werd gezien als een legitimatie van een standpunt dat kortweg neer komt op dat racisme in Nederland niet bestaat. Stevig getoonzette verklaringen van de hogeschool tegen racisme boden onvoldoende tegenwicht tegen dat negatieve sentiment; hoewel er ook lof was voor het niet interveniëren. Inmiddels zoeken we het gesprek met elkaar en willen in het najaar concreet conclusies trekken wat ons te doen staat.

    Een zomer verder, blader ik nog eens door de vele commentaren op deze blog. Die ene zin, met een suggestie voor de blogschrijver, blijft hangen: “Kun je alsjeblieft een klein beetje onderzoek doen naar dit onderwerp…”

    1 + 1 = 1

    In een uur durend interview door Ad Verbrugge, in hartje Leiden dat zucht onder de drukkende hitte van augustus 2020, breek ik een lans voor het fenomeen school: de ultieme plek waar je fouten mag maken. Ik illustreer dat door de zeggen dat je in het basisonderwijs mag zeggen dat 1 + 1 drie is, maar dat “dan wel iemand je moet uitleggen dat 1 + 1 een is”. Pijnlijke, maar ook wel – in deze context in ieder geval - grappige fout. Maar de boodschap is helder: een school is een plek waar het toegestaan is om fouten te maken. Maar dan moet wel iemand het gesprek aangaan, zodat er geleerd wordt van fouten. Met als resultaat een correctie, waar het antwoord evident is (1 + 1 is toch echt twee!) en/of als resultaat het kritisch doordenken van de eigen opvatting.

    Zo ook waar het gaat om beweringen die veeleer politiek of maatschappelijk van aard zijn. Niet om een opvatting op te leggen, opvattingen over de samenleving behoren immers tot het privédomein en het is niet aan een hogeschool om te beoordelen of ze fout zijn, zo lang deze zich afspelen binnen de bandbreedte van de Grondwet. Maar een hogeschool heeft wel de opdracht om aan te zetten tot denken, reflecteren en de eigen wijze van meningsvorming te evalueren. Die bevordert dat mensen kennis en wetenschap die beschikbaar is, tot zich nemen en waar die ontbreekt of incompleet is, is het aan de school om aan te zetten tot een brede doordenking, vanuit waarden, variabele uitgangspunten en perspectieven. En de school moet dus de bewering dat racisme niet bestaat, vanuit die optiek uitdagen.

    Geen mondkapje

    Hogeschooljaar 2020 – 2021 gaat van start. Ook dit jaar zal weer een bijzonder jaar worden. Een deel van ons onderwijs en onderzoek doen we in onze gebouwen, een groter deel online. De boodschap blijft dat we zoveel mogelijk thuis werken, hoe teleurstellend dat ook is voor veel collega’s en studenten. Ikzelf start het jaar met het voornemen één dag in de week naar de hogeschool (of andere locaties buiten mijn studeerkamer) te komen en dan de gesprekken te voeren die fysiek moeten plaatsvinden. Voor het overige werk ik thuis.

    En als ik op de hogeschool ben, draag ik geen mondkapje. Daar heb ik goed over nagedacht en heb ik mezelf goed over geïnformeerd. Ik heb er alle vertrouwen in dat we het zo goed georganiseerd hebben en dat we ons aan de afspraken gaan houden (anderhalve meter afstand / bij ziekte thuisblijven en laten testen / hygiëne-maatregelen in acht nemen) dat dat mondkapje niet nodig is.

    Over de auteur

    Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur Hogeschool Rotterdam

    Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

    Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.