Ga direct naar de content

Dr. ir. Gert-Joost Peek

Lector Gebiedsontwikkeling en Transitiemanagement

Dr.ir G.J. Peek MRICS (Gert-Joost) is naast lector aan Hogeschool Rotterdam eigenaar van SPOTON Consulting, waar vanuit hij adviseert, spreekt, voorzit en schrijft over stedelijke gebiedsontwikkeling en projecten begeleidt. Hij is eveneens als fellow Ruimtelijke procesorganisatie verbonden aan de Amsterdam School of Real Estate (ASRE), alwaar hij het gebieds- en projectontwikkelingsonderwijs ontwerpt en coördineert.

Tot 1 maart 2013 was Gert-Joost knowledge manager van Fakton financiële vastgoedregisseurs. Tot oktober 2010 was hij director research van ING Real Estate Development, waar hij het onderzoek dat bij de verschillende landenorganisaties in Europa lokaal werd verricht coördineerde en onderzoek initieerde ten behoeve van strategie en business development. Tot mei 2007 was hij onderzoeker Vastgoedontwikkeling verbonden aan de afdeling Real Estate & Housing van de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft. Zijn onderzoek, waarop hij in 2006 is gepromoveerd, richtte zich op het managen van de herontwikkeling van binnenstedelijke stationslocaties. Tussen 1998 en 2001 werkte hij tevens als beleidsmedewerker bij de ontwikkelingsafdeling van NS Vastgoed. In 1998 studeerde hij af als bouwkundig ingenieur.

Gert-Joost publiceert regelmatig over stedelijke gebiedsontwikkeling zowel in wetenschappelijke als in vaktijdschriften. Gert-Joost is actief in diverse vastgoedgerelateerde kennisnetwerken, waaronder het Royal Institution of Chartered  Surveyors (RICS) en het Urban Land Institute (ULI). Hij is lid van de CROW/ KpVV-Programmaraad ruimte en mobiliteit, het expertpanel van Duurzaam  Gebouwd en de beweging Anders Denken, Anders Doen.

Thema’s
Het lectoraat Gebiedsontwikkeling en Transitiemanagement onderzoekt de veranderingen van de organisatie van  stedelijke ontwikkeling die nodig is om van haven- en woonstad  Rotterdam een veerkrachtige en adaptieve maak- en stromenstad vol nieuwe bedrijvigheid te maken: Hoe moet de organisatie van stedelijke gebiedsontwikkeling veranderen wil de stad een transitieplatform zijn? Oftewel: hoe organiseer je de veranderstad?

Rotterdam is meer dan de havenstad en de woonstad, meer dan de  uitvoerder van woningbouwprognoses van het rijk en doorvoeder van in- en exportgoederen van het Europese achterland. Rotterdam kan de kansen van de maatschappelijke transitie naar een circulaire economie duurzaam benutten wanneer de aanpak van stedelijke ontwikkeling verandert. Stedelijke gebiedsontwikkeling verandert van het organiseren van  vastgoedaanbod in een productieketen, naar het organiseren van de vraag naar stedelijke kwaliteit in collectieve verbanden. Weg van het projectmatig realiseren van een grootschalig eindbeeld, naar een  proces waarin een gedeelde visie stapsgewijs materialiseert. Ook deze  verandering is een transitie en vraagt om een ander organisatieparadigma. Zo worden kansen en beperkingen duidelijk.

Veranderstad; omdat de stad veranderen anders gaat!
De transitie van stedelijke gebiedsontwikkeling verloopt via rolverandering van betrokken partijen. Zo ontstaan mogelijkheden voor nieuwe samenwerkingsvormen en businessmodellen en kunnen oude uitfaseren. Het onderzoek is allereerst gericht op het detecteren, beschrijven en stimuleren van rolverandering van partijen.

Rolverandering
De rolverandering in stedelijke gebiedsontwikkeling maakt deel uit van de verschuiving in de rolopvatting van overheden, marktpartijen en de gemeenschap die onderdeel is van de maatschappelijke transitie naar de nieuwe economie. In de driehoek tussen deze actoren groeit de rol van de markt ten opzichte van de overheid en die van de gemeenschap ten opzichte van de twee andere actoren onder invloed van privatisering en liberalisering en de opkomst van de participatiemaatschappij. Bestaande partijen veranderen van rol en nieuwe partijen nemen positie in. Overheden gaan vaker regisseren en faciliteren, terwijl de gemeenschap vaker uitvoert en beslist. De markt benadert de gemeenschap vaker als co-maker of concurrent in plaats van als consument.

Nieuwe samenwerkingsvormen
De rolverandering van oude en nieuwe partijen en personen in het stedelijke gebiedsontwikkelingsproces creëert mogelijkheden voor het ontstaan van nieuwe samenwerkingsvormen. Deze vormen ontstaan uit het web van relaties tussen overheid, maatschappelijke organisaties, burgergroeperingen en/of bedrijfsleven dat ontstaat rond een publiek vraagstuk. Zo’n relatienetwerk kan een rechtsvorm hebben en als zodanig herkenbaar zijn. Maar de interactie tussen de betrokken actoren, die deze netwerken vormt, onderhoudt en verandert, kan zich ook manifesteren in de vorm van een community op sociale media of als bezoekers van een event. Samenwerkingen tussen instituties voeden visievorming, maar zijn veelal niet zo daadkrachtig in de uitvoering ervan. Dit in tegenstelling tot lokale initiatieven die sterker gericht zijn op het doen. Deze zijn geënt op zelforganisatie. Het aantal collectieven in Nederland stijgt snel. Naast een stichting of een vereniging wordt – wanneer al voor een juridische vorm wordt gekozen – vaak voor de coöperatie. Doordat de gebruiker ook eigenaar is, zijn de activiteiten van een coöperatief initiatief, zoals collectief beheer van de woonomgeving, distributie en opwekking van duurzame energie en buurtzorg, goedkoop en met beperkte individuele aansprakelijkheid te realiseren terwijl ook de sociale cohesie in het gebied wordt versterkt.

Nieuwe businessmodellen
Coöperatief handelen in de niche vraagt om nieuwe businessmodellen. Financiële winstmaximalisatie en kosteneffectiviteit voldoen niet als uitkomst, want zij vormen een te smalle basis voor zelforganisatie, die stoelt op een hoger streven. Nieuwe businessmodellen gaan uit van meerdere soorten opbrengsten voor meerdere personen of actoren. Het businessmodel draait om meervoudige, gedeelde en collectieve waardecreatie. Wanneer de visie voor een gebied bij grondeigenaren en de gemeente, onder invloed van interactie met het omringende governance-netwerk, aansluit op de intenties en het streven van een collectief in de niche, wordt het mogelijk om dit te ondersteunen. Subsidie is daarbij wellicht niet het beste instrument, want dat creëert afhankelijkheid, hoewel het ook gezien kan worden als een vergoeding voor het creëren van publieke waarden door het collectief.

Veranderopgave met het onderwijs
Het kenniscentrum Duurzame HavenStad is nauw verbonden met de opleidingsinstituten Instituut voor Engineering en Applied Science (EAS) en Instituut voor de Gebouwde Omgeving (IGO) en de Rotterdam Mainport University (RMU). Veel van de opleidingen hebben een technische en ontwerpende oriëntatie. In de onderzoekslijn werken docenten samen in wisselwerking tussen theorie en praktijk en verschillende disciplines. Om een bijdrage te kunnen leveren aan de veerkracht en het adaptief vermogen van de stad, is het noodzakelijk techniek  te verbinden met kennis over economie en organiseren.

In veel van de technische opleidingen staat de productie van (kapitaal)goederen centraal. Studenten adopteren al snel het perspectief van ontwikkelaar, ontwerper en bouwer. Ik stel voor de oriëntatie van stedelijke gebiedsontwikkeling te verleggen van de productie naar het gebruik. Daarmee komt het perspectief van gebruiker en eigenaar voorop te staan – of zo je wilt: vanuit de productie gedacht – het perspectief van de opdrachtgever. Door studenten eerder en nadrukkelijker met dit perspectief te confronteren, ontstaat ruimte voor een meer integrale benadering van de prestaties en specificaties van de goederen in kwestie.

Urban assetmanagement
Vanuit het eigenaarsperspectief is de stad te beschouwen als een grote verzameling van (onroerende) kapitaalgoederen. Dit is de wereld van het assetmanagement, dat erop is gericht om de prestaties van fysieke productiemiddelen, uitgedrukt in de bijdrage aan het primaire proces van de eigenaar-gebruiker, te optimaliseren. Het is voor de technische opleidingen vanuit duurzaamheid maar ook vanuit de aanzienlijke economie die samenhangt met exploitatie, beheer en onderhoud, relevant om assetmanagement meer centraal in opleidingen te stellen. Specifiek gericht op de stad is het interessant dat ze zich afvragen wat urban assetmanagement zou kunnen betekenen: Wat zijn deze stedelijke assets? Wie zijn eigenaren en gebruikers? Wat is optimaal functioneren? Hoe beïnvloeden assets elkaars functioneren? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Ik zie hier kansen voor een professionaliseringslag en mogelijke nieuwe uitstroom- en functieprofielen.

Urban facilitymanagement
De verzameling van kapitaalgoederen die we stad noemen, is naast vanuit het eigenaarsperspectief eveneens te beschouwen vanuit het perspectief van de gebruiker. Ik daag opleidingen graag uit om te verkennen of het mogelijk is om vanuit dit perspectief met de gebouwde omgeving buiten het gebouw aan de slag te gaan. Wat levert het op wanneer inzichten over effecten van de omgeving op de gezondheid van de mensen, bijvoorbeeld uitgewerkt in criteria als behaaglijk, betekenisvol, beïnvloedbaar en begrijpelijk, worden toegepast op de stad? Hoe zijn deze effecten te beïnvloeden? Maar ook meer praktisch, kan worden onderzocht en onderwijzen wat de toepassingsmogelijkheden zijn van een parkmanagementaanpak zoals bekend van bedrijventerreinen, in centrumgebieden, woonwijken en buurten. Er liggen daarbij kansen voor andere organisatievormen gebaseerd op zelforganisatie in plaats van de meer gebruikelijke route van uitbesteden van facilitaire taken. Denk eens aan een wijkbedrijf dat wordt gerund door bewoners, die dienstverlening ontwikkelen om bestaande geldstromen in de wijk te optimaliseren. Hiermee ontstaat een bedrijfsmodel dat zichzelf bedruipt, werk creëert voor bewoners en daarmee invloed en onafhankelijkheid creëert voor de bewoners. Ook hier zie ik kansen voor professionalisering en nieuwe uitstroom- en functieprofielen.

Meervoudig rendement
Wanneer we de exploitatie leidend willen maken, moeten we van een financiële benadering naar een economische benadering overstappen. Niet het financiële resultaat van het productieproces uitgedrukt in een winstsaldo moet de productie bepalen, maar het economisch nut van het gebruik gedurende de levensduur en uitgedrukt in een rendement. Dit nut kan worden vergroot door meervoudige waardecreatie, maar dit maakt het tevens lastig te kwantificeren, laat staan te in geld uit te drukken. Wat zijn de relaties tussen de belangrijke criteria uit het assetmanagement (prestatieverhoging, risicoreductie en kostenoptimalisatie), de eerder genoemde criteria vanuit het gebruikersperspectief (behaaglijk, betekenisvol, beïnvloedbaar en begrijpelijk) en de criteria van leefbaar, betaalbaar en volhoudbaar uit het theoretisch kader van de Resilient City? Ik zie een gezamenlijke uitdaging voor de technische en economische disciplines om hier vervolgens businessmodellen voor meervoudige en circulaire waardecreatie uit te ontwikkelen.

Collectief organiseren
Nieuwe businessmodellen kunnen slechts ontstaan wanneer partijen van rol veranderen en nieuwe samenwerkingen aangaan. Kennis en kunde van organiseren is daarmee onmisbaar voor de zoektocht naar meervoudige waardecreatie. Met name de stap van op beheersing en controle ingestelde organisatiewijzen naar meer collectieve, autonome en zelfgeorganiseerde vormen is hier een uitdaging voor technische, economische en managementdisciplines gezamenlijk.

Klik hier voor zijn openbare les.

We gebruiken cookies om de website te verbeteren.