Ga direct naar de content

Duiding Eindverantwoording Prestatieafspraken 2013-2016

Hogeschool Rotterdam heeft in 2012 met het Ministerie van OC&W een aantal Prestatieafspraken gemaakt over de periode 2013 - 2016. Het gaat hierbij om afspraken op een aantal verplichte en facultatieve indicatoren ten opzichte van Onderwijskwaliteit, een aantal maatregelen over docentkwaliteit, contacttijd en overheadkosten, Studiesucces en Differentiatie en zwaartepuntvorming.

Het Ministerie van OC&W heeft aan Hogeschool Rotterdam middelen toegekend op grond van de gemaakte Prestatieafspraken. Continuering hiervan is afhankelijk van het feit of de doelstellingen behaald worden en in welke mate. 

Hieronder volgt een duiding van de mate waarin en de wijze waarop Hogeschool Rotterdam de geformuleerde ambities heeft gerealiseerd. De Prestatieafspraken zijn gemaakt in een periode waarin Hogeschool Rotterdam zich voorbereidde op een stevige koerswijziging. 

In de jaarverslagen van 2013 en 2014 heeft de hogeschool tussentijds verantwoording afgelegd over de voortgang. In het jaarverslag van 2015 is de eindverantwoording van de Prestatieafspraken over de hele periode opgenomen. 

De Prestatieafspraken bestaan uit drie gebieden: studiesucces, onderwijskwaliteit en maatregelen met betrekking tot docentkwaliteit, onderwijsintensiteit en indirecte kosten. Ze bestaan uit een aantal verplichte afspraken (studiesucces en onderwijskwaliteit) en een aantal facultatieve (studenttevredenheid, differentiatie en zwaartepuntvorming, onder meer door de vorming van Centres of Expertise). De Prestatieafspraken zijn gemaakt in een periode waarin Hogeschool Rotterdam zich voorbereidde op een stevige koerswijziging. Hieronder volgt een uiteenzetting van de mate waarin en de wijze waarop Hogeschool Rotterdam de geformuleerde ambities op  deze drie gebieden heeft gerealiseerd. 

Afspraken over Onderwijskwaliteit: excellentie en studenttevredenheid

Hogeschool Rotterdam is positief over het feit dat door een sterk samenspel van beleidsmaatregelen het grootste gedeelte van de afspraken is behaald. Op de onderwerpen onderwijskwaliteit, differentiatie en zwaartepuntvorming zijn de doelstellingen behaald tot zelfs ruimschoots behaald.

Op het gebied van excellentie is Hogeschool Rotterdam begonnen met het opbouwen van een speciaal traject voor studenten die zich willen ontplooien tot excellente professionals, het “Honoursprogramma”. De deelname van studenten is sinds 2012 gestegen van 2% tot 7,3% in studiejaar 2014 – 2015. Daarmee is de doelstelling (7%) behaald. 

Naast de verplichte afspraak over deelname aan het excellentieprogramma heeft Hogeschool Rotterdam op het gebied van onderwijskwaliteit nog een ambitie geformuleerd: namelijk ten aanzien van studenttevredenheid. Hier gaat het om een facultatieve afspraak. Studenttevredenheid is een belangrijke graadmeter voor de kwaliteit van de bacheloropleidingen en wordt gemeten via de uitslagen in de Nationale Studenten Enquête (NSE).

“In de afgelopen jaren hebben we fors geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs, onder meer door extra docenten aan te nemen en de verbinding tussen onderwijs en onderzoek te versterken. Ook is er veel aandacht besteed aan de operationele kant van het onderwijsproces”, aldus Jan Roelof, lid van het College van Bestuur. Om meer geld vrij te maken voor het onderwijs is in voorgaande jaren stevig ingezet op het verlagen van de overhead. Deze maatregelen hebben er onder andere toe geleid dat de studenttevredenheid in het algemeen is gestegen van 3,68 in 2013 naar 3,78 in 2015 (op een vijfpuntschaal). In 2016 heeft de stijging zit verder voortgezet. 

Afspraken over docentkwaliteit, onderwijsintensiteit en overhead

Ook op het gebied van de docentkwaliteit zijn er afspraken gemaakt. Doelstelling was dat eind 2015 16% meer docenten in het bezit zijn van een masterdiploma. In de aanwas van nieuwe medewerkers hebben we meer docenten met een masterdiploma aangenomen. Daarnaast hebben we tijd en budget beschikbaar gesteld voor professionalisering, waardoor meer docenten een masterdiploma konden behalen. Bij de (gecorrigeerde) nulmeting in 2012 had 49,9 % van de docenten een mastertitel, eind 2015 is dat 67,4%. Dat is een groei van 17,5%, waarmee de afspraak is gerealiseerd. 

Zeker in het eerste collegejaar is voldoende onderwijsintensiteit (contacttijd) van groot belang omdat het helpt om meer binding tussen de student en de docent te realiseren. Een grotere betrokkenheid leidt tot meer binding, meer binding leidt tot minder uitval en dat komt het rendement ten goede. De hogeschool heeft zich de ambitie gesteld dat geen van de bacheloropleidingen in het eerste jaar minder dan 12 uur per week contacttijd heeft. Deze verplichte Prestatieafspraak is gerealiseerd. 

“De realisatie van de Prestatieafspraken in de twee bovengenoemde gebieden laat zien dat ons Focusbeleid resultaten heeft opgeleverd waar we trots op mogen zijn. Onze docenten en medewerkers zijn in staat geweest de inhoud en organisatie van het onderwijs aan te passen aan de veranderende vereisten vanuit de buitenwereld, niet alleen met behoud, maar ook met verbetering van de kwaliteit, stelt Jan Roelof. 

Studiesucces (switch, uitval en rendement)

Op het gebied van Studiesucces ( uitval, switch en rendement) is het lastiger gebleken om de gestelde ambities te halen. Hogeschool Rotterdam is sinds 2009, al ver voor de Prestatieafspraken actueel werden, met een heel pakket aan maatregelen gestart als het gaat om deze onderwerpen. Desondanks is het vraagstuk van switch, uitval en rendement in de praktijk weerbarstig gebleken. Hoewel de uitval (26,9%) en het aantal studenten dat van opleiding switcht (11,8%) over de jaren heen is afgenomen, hebben we de gestelde doelstellingen (respectievelijk 25% en 11%) niet gehaald. Wat het rendement betreft hebben we helaas geen verbetering, maar juist een afname moeten constateren (53,7% versus de 65% die was afgesproken). De Prestatieafspraken op het gebied van studiesucces hebben we dus niet gerealiseerd. Dat heeft verschillende redenen en de oplossing voor dit vraagstuk zoeken we in eerste instantie binnen onze eigen hogeschool. 

Jan Roelof: “We zijn tot de conclusie gekomen dat het vraagstuk van Studiesucces indringender is dan we hadden voorzien en dat we veel inspanningen hebben verricht, maar tegelijkertijd stellen we vast dat die maatregelen niet tot het gewenste effect hebben geleid. We hebben onze organisatiekracht aangewend om een prima zorgstructuur te realiseren rondom het onderwijs. Maar we zijn ons enige jaren geleden gaan realiseren dat de problematiek in de kern van het onderwijs aangepakt moet worden. Het gaat erom dat docenten studenten goed kennen en hen weten te binden. Het realiseren van kwaliteit in de klas is in essentie een pedagogisch vraagstuk."

Hogeschool Rotterdam pakt op dit gebied door met nieuwe maatregelen. We investeren extra in de onderwijskwaliteit door middel van schaalverkleining (meer docenten voor de klas en kleinere klassen), extra professionalisering voor docenten, vooral op pedagogische aspecten, nieuwe didactische concepten en een sterkere verbinding van het onderwijs met de beroepspraktijk en het werkveld. Ook leggen we meer nadruk op de integratie van praktijk en praktijkonderzoek in het onderwijs. 

Naast interne factoren hebben we ook oog voor externe factoren die van invloed kunnen zijn op studiesucces. Rotterdam is een multiculturele stad met een relatief laag opgeleide bevolking. Hogeschool Rotterdam heeft een relatief groter aandeel van mbo-doorstromers en van studenten van niet-westerse origine. Bovendien komt een relatief groot aantal studenten binnen met een toelatingstoets. Dit zijn precies de groepen die het momenteel relatief moeilijker hebben binnen het hoger onderwijs, mede de steeds hogere eisen die aan afgestudeerde bachelors worden gesteld, hetgeen heeft geleid tot een verhoging van het eindniveau van de hbo-bachelor.

Ook op dit gebied investeren we in nieuwe maatregelen. Een deel van het antwoord ligt in de aansluiting tussen mbo en hbo. Met onze ROC-partners en Hogeschool Inholland maken we afspraken over een betere aansluiting en over het ontwikkelen van schakelprogramma’s voor mbo-studenten met een niet verwante vooropleiding. 

Differentiatie en zwaartepuntvorming

In de Prestatieafspraken heeft Hogeschool Rotterdam ook de ambitie vastgelegd om de differentiatie in het onderwijsaanbod te bevorderen. Deze ambitie betrof vooral de uitbouw van de Rotterdam Academy, het instituut voor Associate degrees. Daarnaast is het voornemen geuit om een nieuwe, brede masteropleiding te ontwikkelen op het gebied van toegepast ontwerpen. 

Deze ambitie is ingevuld. De Rotterdam Academy heeft zich ontwikkeld tot een zelfstandig instituut voor Associate degrees met een eigen profiel. De Rotterdam Academy heeft een divers aanbod aan Ad-opleidingen ontwikkeld en is flink gegroeid, van 458 studenten bij de start in 2012 tot ruim 1850 studenten in 2015. Dat we met de Ad’s inspelen op een maatschappelijke behoefte in deze regio is met deze groeicijfers evident. 

De verdere ontwikkeling van de kenniseconomie vraagt ook om een toenemend aantal professionals die op masterniveau zijn gekwalificeerd. In het kader van de doorontwikkeling van de creatieve sector in Rotterdam heeft Hogeschool Rotterdam een nieuwe master Design ontwikkeld. Deze staat per 2016 geregistreerd. 

Centres of Expertise

Hogeschool Rotterdam heeft ten tijde van het maken van de Prestatieafspraken besloten twee Centres of Expertise  op te richten rondom grote thema’s van de stad: het realiseren van innovatie en duurzaamheid in de Rotterdamse haven, en het ontwikkelen van nieuwe methoden om bij te dragen aan de maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkeling van Rotterdam-Zuid. 

Binnen het Centre of Expertise RDM, gevestigd op de gelijknamige RDM-campus, werken studenten, docenten en professionals uit het bedrijfsleven aan hoogwaardige innovatieprojecten die tot doel hebben om haven en stad te innoveren en te verduurzamen.  Blikvangers zijn bijvoorbeeld het Aquabots-project; studenten van verschillende disciplines werken samen aan autonoom varende voertuigen. Een ander mooi project is het SUS-Atelier (sustainability). Bouwkunde studenten met professionals uit het bedrijfsleven voeren uitdagende en duurzame renovatie- en nieuwbouwprojecten uit. 

De aanvraag voor het Expertisecentrum Maatschappelijke Innovatie is indertijd niet gehonoreerd door OCW. Desondanks is de hogeschool ermee gestart. Het wordt samen met partners uit de stad, zoals het Nationaal Actieprogramma Rotterdam Zuid, gefinancierd. Het expertisecentrum verbindt studenten en docenten via projecten met professionals uit de praktijk. Spraakmakende voorbeelden zijn het mentoren project, waarin studenten van de hogeschool leerlingen uit het voortgezet onderwijs intensief begeleiden, en ´Nieuw in 010´ waarin studenten bijdragen aan een verbeterde begeleiding van kwetsbare zwangeren. 

Tot slot

Jan Roelof: “De koerswijziging ingegeven door ons programma Focus heeft ons in staat gesteld flinke stappen voorwaarts te zetten binnen vrijwel alle gebieden van de Prestatieafspraken die bijdragen aan de kwaliteit van ons onderwijs. Die stijgende lijn willen we de komende jaren vasthouden. Wat betreft Studiesucces en uitvalproblematiek zullen we investeren in nieuwe maatregelen en hebben we er vertrouwen in dat die een positief effect zullen hebben. Wij zijn ervan overtuigd dat de organisatiekracht die de hogeschool de afgelopen jaren heeft laten zien, ons ook in staat zal stellen in de komende jaren de benodigde en gewenste volgende stappen te zetten.” 

Medio oktober brengt de reviewcommissie Hoger Onderwijs (RCHOO) een conceptadvies uit aan de Minister. Zij zal medio november haar besluit over de gemaakte Prestatieafspraken en de daaraan toegekende middelen nemen. 

Voor de volledige eindverantwoording over de Prestatieafspraken verwijzen we door naar het Jaarverslag 2015 of naar de publicatie over de Prestatieafspraken. 

Jan Roelof,
Lid College van Bestuur Hogeschool Rotterdam

We gebruiken cookies om de website te verbeteren.