Ga direct naar de content

Verslag tweede bijeenkomst Integriteit

Spreker: Cees Coumou
13 augustus 2015

Op dinsdagmiddag 9 juni was het Genootschap voor Risicomanagement opnieuw te gast bij Hogeschool Rotterdam voor een tweede bijeenkomst rond het thema ‘Integriteit’. Spreker was Cees Coumou, voormalig voorzitter van het genootschap en adviseur bij het Platform voor Informatiebeveiliging (PvIB). Hieronder een kort verslag.

Wat is de relatie tussen risicomanagement en integriteit? Risicomanagement heeft als doel het beheersen van risico’s die kunnen optreden. Eén van deze risico’s is het risico van niet-compliant zijn, dus het overtreden van de geschreven regels. ‘Alleen het niet naleven van een geschreven regel levert risico op’, stelt Cees. ‘In Nederland dient iedereen de wet te kennen.[1] We nemen daarom aan dat mensen deze regels bewust overschrijden.’ Niet integer zijn betekent het afwijken van ongeschreven gedragsregels of morele codes. Cees is van mening dat de relatie tussen risicomanagement en integriteit lastig te leggen is. ‘Dreigingen bepalen ten aanzien van integriteit is niet eenvoudig. Veel makkelijker is het wanneer er een regel bestaat die men na kan leven of niet, dus compliance.’

Wat weten wij over het sjoemelen van mensen met regels? Wanneer gaat men dit gemakkelijker doen? In het boek ‘Predictably Irrational’ (2008) laat Dan Ariely zien dat mensen uitermate beïnvloedbaar zijn. Mensen worden negatiever als zij net deprimerende woorden hebben gelezen of gaan alleen al beter presteren als het etiket van hun drankje aangeeft dat het prestaties bevordert. Specifiek gedragsonderzoek naar integriteit toont aan dat mensen geneigd zijn te sjoemelen als zij daarvoor de gelegenheid krijgen. Mensen zijn minder geneigd te sjoemelen met geld dan met zaken die verder van geld afstaan. Zo nemen mensen bijvoorbeeld wel gauw colablikjes mee naar huis maar geld niet. Ook blijkt dat mensen minder sjoemelen na het lezen van de tien geboden. Het is daarom aan te bevelen een gedragscode, eed of belofte te herhalen vlak voordat men verleid wordt.

Meer voorbeelden van niet-integer gedrag zijn te vinden in Ariely’s boek ‘The (Honest) Truth About Dishonesty’ (2012). Omdat er bij golf, afgezien van wedstrijden, geen scheidsrechter aanwezig is, dit een ideale sport om sjoemelgedrag te onderzoeken. Bij golf kan worden gesjoemeld door het verplaatsen van de bal, het niet rapporteren van correctieslagen en het foutief schrijven en optellen van scores. Golfspelers rapporteren deze onregelmatigheden frequenter bij andere spelers dan bij henzelf. Met andere woorden golfers rapporteren een hoge frequentie onregelmatigheden bij anderen en een lage frequentie bij henzelf. Bij een rekenkundig spel dat gespeeld werd onder drie verschillende condities bleek dat het ontbreken van controle sjoemelen in de hand werkt, zeker als er geld te verdienen viel. Echter, bij zeer hoge beloningen werd er juist minder gesjoemeld. Wanneer iemand in de groep spelers overduidelijk en extreem sjoemelt – dit werd de Madoff-variant genoemd – en dit door de aanwezige autoriteit wordt geaccepteerd, verhoogt dit enorm de kans dat anderen ook gaan sjoemelen. Ten opzichte van het ‘sjoemelgedrag’ bij het enkel ontbreken van controles bleken twee andere varianten een dempend effect te hebben. Wanneer iemand aan de aanwezige autoriteit in het openbaar ter sprake brengt dat er gelegenheid is te sjoemelen of als een buitenstaander, iemand die niet bij de groep hoort, overduidelijk sjoemelt wordt nog steeds gesjoemeld maar in mindere mate.

Met de aanwezigen gaat Cees vervolgens aan de hand van drie casussen op zoek naar integer gedrag. De eerste casus is het overtreden van verkeersregels. ‘Het doel dat je bereikt door een regel te overtreden weeg je af tegen de nadelen van het overtreden’, poneert een van de deelnemers. Men confronteert dus doelstellingen met hoge en lage prioriteit met elkaar. Er is daarnaast behoefte om non-compliance na afloop te kunnen verdedigen. ‘Als een ander het ook doet, heb ik een excuus.’ Verder blijkt context van belang (’s nachts overtreden of in eigen buurt), blijken normen en waarden afhankelijk te zijn van de rol die iemand speelt en vertrouwen mensen op de rationaliteit van de regels of op eigen inzicht. De tweede casus betreft Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s). Hierbij is het dilemma dat een patiënt door het toepassen van de DBC-regels schade kan ondervinden of zelfs overlijdt en dat een behandelaar bij het sjoemelen met de regels op de vingers kan worden getikt. Uitvoering conform de regels kan dus tot ethische dilemma’s leiden. Ook hier speelt confrontatie tussen twee conflicterende doelstellingen een rol. De derde casus betreft het Tweede Kamerlid Johan Houwers, dat beboet is voor fraude. Hij heeft als fraudeur regels overtreden maar kan juridisch als eenmansfactie in de Kamer aanblijven. ‘Hij heeft als Kamerlid een voorbeeldfunctie’, stelt Cees, ‘en anderen kunnen zijn voorbeeld navolgen. Hij trekt zich niets aan van wat zijn directe omgeving van hem denkt en blijft in de Kamer.’ Cees vraagt zich af hoe het voelt om in je eentje in een groep te zitten waar je niet wordt geaccepteerd op het gebied van integriteit.

Wanneer compliance- en integriteitsrisico’s in kaart zijn gebracht volgt de risicoanalyse en de risicoreactie (Take, Treat, Transfer of Terminate). Er is discussie over ‘kans maal gevolg‘ als middel om de prioriteit van een risico aan te geven. ‘De mogelijke schade van een risico kan klein zijn terwijl er grote persoonlijke integriteitsrisico’s aan zijn verbonden.’ Op de hogeschool geldt bijvoorbeeld de regel dat er niet gegeten of gedronken mag worden in een klaslokaal. De reden hiervoor is dat met deze regel rotzooi wordt voorkomen. Docenten staan eten en drinken soms toe onder voorwaarde dat iedereen zijn rommel opruimt. Het doel lijkt daarmee bereikt. Echter acteren docenten dan alsof zij proceseigenaar zijn en individueel afspraken mogen maken met studenten. Zij kunnen dan toch rekenen op een reprimande van hun leidinggevende als boven water komt dat zij de regels van de school niet handhaven.

Eén van de laatste stappen in het risicomanagementproces is het bepalen van maatregelen om risico’s te beheersen. De heersende cultuur is meer regels te bedenken en strikter te handhaven. Cees biedt vier alternatieven. Het eerste is sociale controle door een omgeving te creëren die oplettend is en corrigeert. Sociale controle heeft net als groepsdwang een negatieve klank en roept associaties op met klikspanen en een cultuur van argwaan. Esprit de corps klinkt echter al veel positiever. In het boek ‘Discipline – overleven in overvloed’ (2013) geeft Marli Huijer tips hoe je discipline kunt uitbesteden. ‘Ga op zoek naar hulpmiddelen, net als Odysseus die zichzelf aan de mast liet binden om de sirenen te horen zingen. Denk daarbij niet alleen aan technische hulpmiddelen zoals apps en stappentellers maar ook aan afspraken die je als groep met elkaar maakt.’ Het tweede alternatief is mensen aanspreken op hun deskundigheid/professionaliteit. ‘Argumenten zijn vaak ondergeschikt aan de belangen die mensen hebben. Vraag mensen naar hun belangen en probeer vervolgens dingen te verbeteren.’ Een derde alternatief is het zoeken naar zwakke signalen, een idee dat door Ansoff (1975) wordt beschreven in ‘Managing Strategic Surprise by Response to Weak Signals’. Een proceseigenaar moet dan willen luisteren naar mensen om deze signalen op te vangen. ‘De consequentie als je dit niet doet is dat je moet wachten tot er een klokkenluider opstaat die een misstand aan de kaak stelt.’ In het boek ‘Management van het onverwachte’ (2011) geven Weick en Sutcliffe aan dat mensen uitgenodigd moeten worden om near misses e.d. te melden (zie ook Bor-Reijenga en Van der Kolk, 2014). Het laatste alternatief dat Cees voorstelt is intervisie/zelfreflectie/intercollegiaal consult om spiegelblindheid (De Wild, 2013) tegen te gaan. ‘Maar één van de bankiers die Joris Luyendijk (2015) interviewde verzuchtte juist dat mensen juist het vermogen tot zelfreflectie verliezen’, stelt Cees vast.

Cees stelt dat deze vier alternatieven soft controls zijn die helpen om te voldoen aan de eisen van imperfecte systemen. De grondgedachte is dat ieder mens als doel heeft integer te zijn en dat door omstandigheden mensen hier van gaan afwijken. Mensen kunnen soms door druk verleid worden niet integer te zijn. Hoewel er niet naar integriteit wordt gevraagd in personeelsadvertenties is integriteit van enorm belang. Je kunt in advertenties aangeven op zoek te zijn naar iemand die diplomatiek is maar niet naar iemand die integer is. Het is namelijk mogelijk van jezelf te zeggen ‘Ik ben niet diplomatiek’ maar niet ‘Ik ben niet integer’.

Tijdens de borrel wordt nog verder doorgepraat over integriteit. Eén deelnemer stelt zelfs een model voor om grip te krijgen op de materie. ‘Aan de ene kant heb je ongeschreven regels met gewenst gedrag en aan de andere kant formele regels met verplicht gedrag. En soms kan overtreding van deze ongeschreven of formele regels integer zijn en soms niet.’ Op een bierviltje tovert hij de volgende matrix tevoorschijn met bijpassende voorbeelden uit het verkeer.

Zijn conclusie is dat de afweging om regels te overtreden te maken heeft met conflicterende doelen en de prioritering van deze doelen.

Het onderwerp integriteit blijft de komende maanden in de belangstelling staan van het genootschap. Cees Coumou en bestuurslid Arie de Wild starten namelijk een studiegroep rondom dit thema die tot doel heeft een white paper te publiceren. GvRM-leden en niet-leden die interesse hebben om deel te nemen aan deze studiegroep kunnen contact opnemen met Arie de Wild (a.f.de.wild@hr.nl).

Bronnen

  • Ansoff, H. I. (1975). Managing Strategic Surprise by Response to Weak Signals. California Management Review, 18(2), 21–33. http://doi.org/10.2307/41164635
  • Ariely, D. (2008). Predictably Irrational (Vol. 1st). HarperCollins.
  • Ariely, D. (2012). The (honest) truth about dishonesty: how we lie to everyone--especially ourselves (First edition). New York: Harper.
  • De Wild, A. F. (2013). De spiegelblinde manager innoveren van de managementpraktijk met gedragseconomie. Amsterdam: Rotterdam University Press.
  • Huijer, M. (2013). Discipline: overleven in overvloed. Amsterdam: Boom.
  • Luyendijk, J. (2015). Dit kan niet waar zijn: onder bankiers. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact.
  • Renkema, J. (2008). Wie Nederlander is, staat in de wet - De grondwet in eenvoudig Nederlands? Onze Taal, 77(1), 10–13.
  • Weick, K. E., Sutcliffe, K. M., De Bruine, H., & Studio Imago (Amersfoort). (2011). Management van het onverwachte: wat je kunt leren van high reliability organizations. Rotterdam: BBNC uitgevers.

[1] ‘Eenieder wordt geacht de wet te kennen’ is een juridisch beginsel. Het betekent ongeveer dat je bij een veroordeling geen strafvermindering kunt krijgen omdat je niet wist dat jouw handeling strafbaar was (Renkema, 2008).

We gebruiken cookies om de website te verbeteren.