Ga direct naar de content

Ontmoeting 107 | botsing en verbinding van waarden

Tweewekelijkse blog van Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur

Moeilijke afwegingen ontstaan altijd daar waar waarden met elkaar botsen. Relaties staan op scherp als waarden tegenover elkaar staan en we niet in staat zijn waarden met elkaar te verbinden, of een ondergrond te geven die die verbinding faciliteert. Waar waarden parallel lopen, verenigbaar zijn of van een fundament voorzien zijn, helpt dat de tegenstellingen te overbruggen. En vormen ze de meeste krachtige smeerolie van ons collectieve bestaan.

Ons maatschappelijke bestel is - met een historie van vallen en opstaan - gebaseerd op dit gegeven: mensen mogen zichzelf zijn en hun identiteit etaleren. Als dat maar gebeurt op een ondergrond van wederzijds respect en respect voor de democratische waarden. De moderne claim je eigen 'ik' te mogen etaleren, moet samengaan met een even groot verantwoordelijkheidsgevoel voor het collectief.

Zaterdag 27 januari: SSR-Rotterdam bestaat 100 jaar

Ik wandel door een fris, maar zonnig Rotterdam. Voor wie Rotterdam kent: vanuit het Museumpark, via de Coolhaven naar die prachtige Pelgrimsvaderkerk, gelegen in een 600 jaar oud stukje Rotterdam dat het bombardement overleefde. De kerk alleen al kent een veelbetekenende geschiedenis: gebouwd door katholieken, na de Reformatie in gebruik als protestants gebedshuis en een naam verwijzend naar de Pilgrim Fathers die in Delfhaven inscheepten naar de Nieuwe Wereld in de hoop meer ruimte te krijgen voor hun geloofsuitoefening. In een geschiedschrijving die soms vergeet dat de Verenigde Staten al lang voor die tijd bevolkt waren en beschavingen kenden, werden deze mensen gezien als medegrondleggers van die Verenigde Staten.

Een cocktail van identiteiten viert samen feest

In die zelfde kerk spreken drie mannen een studentenvereniging toe: een met een katholieke achtergrond, een geworteld in de Islam en een van vrijzinnig protestantse huize. Ik mag samen met de burgemeester van Rotterdam en de rector van de Erasmus Universiteit het 100-jarige Societas Studiosorum Reformatorum Roterodamensis (SSR Rotterdam) toespreken, een studentenvereniging met een Reformatorische oorsprong en opgericht met een doel, zo valt te lezen op haar website. Namelijk om “den omgang te bevorderen tusschen deze geestverwante jongemenschen, teneinde ze op die wijze met Gods hulp te behoeden voor de gevaren en de verleiding van het studentenleven en ze te wapenen tegen de ongeloofstheorieën, die in deze dagen als de hoogste wijsheid ex cathedra verkondigd worden”. De vereniging heeft een vergelijkbare secularisering doorgemaakt als het Nederland van na de oorlog, maar iets van die identiteit blijft men met zich meedragen. Het vieren van het feest in deze kerk getuigt daar van.

Ontgroening

Wandelend langs de Coolhaven, schieten de recente incidenten bij ontgroeningen (voor de goede orde: niet bij SSR Rotterdam) door mijn hoofd. Ik heb persoonlijk niets met ontgroeningen. Ik begrijp de logica niet van met de neus in de modder moeten liggen om ergens bij te mogen horen om vervolgens een jaar later zelf iemand de opdracht te geven om met de neus in de modder te gaan liggen. Maar ik vind ook dat er ruimte moet zijn voor verenigingen om hun eigen cultuur te etaleren en te vieren, binnen grenzen van fatsoen en het respecteren van de menselijke integriteit. Vernederingen en fysiek geweld passen daar niet bij. Dan ga je voorbij de bandbreedte van wat passend is. Ik sta er bij stil tijdens mijn speech. Ik kan het niet laten mijn afgrijzen te tonen bij de reactie van de hoofdredacteur van Quote, die publiek veronderstelde dat de toestroom van hbo-ers – die in sommige elitaire academische kringen ‘cursisten’ worden genoemd - oorzaak zijn van afglijdende normen. Maar de kern van mijn verhaal gaat over een ander interessant detail uit de ontstaansgeschiedenis van SSR. Op de website lezen we: “Onder invloed van de verzuiling aan het eind van de 19e eeuw werd op 9 februari 1886 in Leiden de Unie “Hendrik de Cock” opgericht. De Unie was bedoeld als vriendenkring van gereformeerde studenten…”

Verzuiling

Iets meer dan honderd jaar geleden kende ons land behoorlijke spanningen. Ze waren op scherp gezet door emancipatoire bewegingen, waaronder de katholieke. Je zou ze kunnen zien als de wens naar een eigen identiteit, die te etaleren en die te koesteren. Er werd geëist dat die identiteit werd verbonden met belangrijke instituties, zoals scholen. Maar ook was er het besef in eigen kring dat dergelijkeincluderende bewegingen het risico van een gespleten samenleving met zich meebrachten. De oplossing die toen werd gekozen, was het laten ontstaan van zuilen. Elke zuil had haar eigen scholen, kerken, ziekenhuizen, vakbonden, omroepen, winkels, etc. De elites waren hierbij aan de bovenkant met elkaar verknoopt en de Grondwet regelde gelijke rechten. Eigenlijk was het een vorm van georganiseerde segregatie. Voor de een was daarmee een vorm van pacificatie ontstaan op maatschappelijke niveau, voor de ander – zoals de oprichters van de SSR aangeven – een aanleiding om net wat dieper de eigen zuil in te duiken.

Op zoek naar een nieuwe pacificatie

De verzuiling kan niet als voorbeeld dienen voor de vraagstukken van nu, daarvoor is de moderne fragmentatie te weinig te vangen in zuilen die op één hand te tellen zijn. Ook de centralistische, elitaire oplossing past niet meer in de moderne tijd. Je kunt zelfs de vraag stellen of sommige restanten van de verzuiling ons niet in de weg zitten om tot moderne oplossingen te komen, zoals een onderwijsbestel dat als een van de laatste een diepe, institutionele verankering van de verzuiling met zich mee draagt. Maar het is wel duidelijk dat we honderd jaar na de pacificatie van 1917 een nieuwe vorm van pacificatie moeten zien te vinden. Onze samenleving kraakt onder een voortgaande fragmentatie. Die uit zich in een kakafonie van identiteiten, versplinterende politieke landschappen en een bandbreedte in identiteiten, die ook nog eens letterlijk over onze landsgrenzen heen gaat.

Is de oplossing ergens te vinden in dezelfde reden dat een geseculariseerde studentenvereniging, met een stevige ideologische oorsprong, blij is dat Ahmed Aboutaleb, Huib Pols en Ron Bormans op hun feestje spreken? Kunnen we niet leren van de noodzaak te komen tot een pacificatie én het belang hierbij van burgerrechten en –plichten waar de verzuiling ook mee gepaard ging?

Woensdag 31 januari: botsing van waarden in het onderwijs

Een bijeenkomst in De Balie, Amsterdam. Ook al zo’n pand met een betekenisvolle geschiedenis: van oorsprong rechtbank (eind negentiende eeuw), bedreigd met sloop omdat op de plek een hotel moest komen en uiteindelijk omgebouwd tot een spraakmakend debatcentrum (vanaf begin jaren tachtig van de vorige eeuw). Het thema waarover ik mag meepraten, is stevig: botsing van waarden in het onderwijs. Oftewel, zoals de inleiding op het programma luidt: “Lange tijd was de neutrale docent norm op lerarenopleidingen. Echter klinkt steeds vaker de roep om de docent als moreel kompas. Maar kunnen we dat eigenlijk wel van de docent verwachten? Docenten krijgen voor de klas steeds vaker te maken met zorgwekkende vormen van vreemdelingenhaat, homofobie, antisemitisme en complotdenken. In de lerarenkamer drinken ze koffie met collega’s die er compleet andere waarden op nahouden. Hoe moeten ze hiermee omgaan? Wat betekent dit voor de lerarenopleidingen? En hoe maken we beleid voor de lange termijn in plaats van incidentenpolitiek te laten regeren?“

Samen leven in de moderne samenleving: de school als oefenplek

De docent als moreel kompas. Ik hoop dat een dergelijk debat vooral aanleiding is in de docentenkamer om na te denken over de docent als pedagoog. Het debat beweegt voortdurend heen en weer tussen drie invalshoeken. De eerste is de vraag: welke bandbreedte aan uitingen staan we toe in de klas? De tweede invalshoek: welke persoonlijke inbreng en ruimte heeft de docent in het maken van de afweging wanneer een leerling of student over die bandbreedte heen gaat en hoe kwetsbaar is een docent als de eigen identiteit niet gerespecteerd wordt? De casus die voorlag was die van een homoseksuele docent in een klas met sterk negatieve opvattingen over homoseksualiteit.

De derde - de invalshoek die ik probeer in te brengen - betreft de pedagogische. In mijn ogen is de school de oefenplek voor het functioneren in de samenleving. Onder die school hoort een normatief kader te liggen die aangeeft hoe we met elkaar omgaan. Hogeschool Rotterdam kent op dat punt een heldere tekst.

Eigen Grondwet

Hogeschool Rotterdam kent op dat punt een heldere tekst in artikel 3 van haar statuten:
“Bij haar activiteiten gaat de stichting uit van de gelijkwaardigheid van mensen; bij werving en selectie van personeel en bij de toelating van studenten wordt geen onderscheid gemaakt naar sekse, seksuele geaardheid, godsdienst of levensovertuiging, culturele achtergrond of huidkleur. De stichting bevordert wederzijds respect. Zij streeft naar levensbeschouwelijke pluriformiteit en ontmoeting, waarbij de indeling van studenten in groepen uitsluitend op onderwijskundige gronden plaatsvindt. De stichting werkt emancipatiegericht (in de brede betekenis van het woord) en met inachtneming van democratische verhoudingen.”

Daarmee hebben we normativiteit te pakken die mogelijk de spelregels omvat van de moderne pacificatie.

Pedagogisch klimaat

Het mooie en moeilijke aan een school is dat dergelijke normatief niet alleen of onmiddellijk gebruikt moet worden ter disciplinering. Scholen brengen een samenleving gebaseerd op dergelijke uitgangspunten dichterbij als ze deze uitgangspunten durven te hanteren, maar tegelijk ook als ze in de klas toestaan dat jonge mensen soms de grens opzoeken en soms daar over heen gaan. Ik hoop dat ‘mijn’ docenten als ze in de klas worden geconfronteerd met uitspraken die (ver) buiten de bandbreedte van onze eigen ‘Grondwet’ liggen, zich als pedagogen opstellen: dat ze dus het gesprek niet uit de weg gaan,  niet alleen disciplineren, maar diezelfde student - in de terminologie van Gert Biesta - zijn of haar subjectivering weten te gunnen. Dat is moeilijk, zeker als eigen opvattingen of identiteit schreeuwen om een directe vorm van disciplinering of doodzwijgen. Biesta benoemt het niet voor niets als een vorm van risicovol onderwijs, maar docenten horen met moed en pedagogisch vakmanschap het gesprek aan te gaan met studenten. Hen uitdagen het verhaal achter de uitspraak te delen. Hen uitnodigen binnen de genoemde bandbreedte te gaan opereren. En hen erop te wijzen dat het hoger onderwijs leunt op universele waarden als geldigheid en betrouwbaarheid.

En dat is niet alleen een opdracht voor de leraar maatschappijleer, want dat gesprek kan juist in de wiskundeles of bij Nederlands of Economie indruk maken op de leerling. Burgerschap is geen vak, of een afgebakend brok content. Burgerschap moet gaan over het geven van ruimte aan elk individu in een normatieve, collectieve context van democratische waarden. En over, respectvolle omgang met elkaar. We moeten hoge academische eisen stellen aan wat mensen beweren. En dat is bij uitstek een opdracht voor iedereen werkzaam in het onderwijs in ons land, ook in Rotterdam.

Waar we letterlijk een wereld te winnen hebben.

Over de auteur

Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur

Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.

We gebruiken cookies om de website te verbeteren.