Menu Zoeken English

‘Verschil is rijkdom, verschil is moeilijk’

Michiel de Ronde, lector Master Begeleidingskunde

Michiel de Ronde bracht zijn jeugd door op een boerderij in de buurt van Schiedam. Na een periode in Ede, woont hij daar samen met zijn echtgenote weer. Hij studeerde psychologie in Leiden en combineerde daarna zijn werk als docent, trainer en onderzoeker op de hogeschool van Ede met dat in Rotterdam. Sinds 2015 is hij lector aan de Hogeschool Rotterdam. De Ronde heeft vier, inmiddels zelfstandig wonende kinderen.

“Gisteren hebben we voor het eerst dit jaar bietjes uit de eigen tuin gegeten,” vertelt De Ronde enthousiast. “De pastinaak is inmiddels op.” Hij illustreert hiermee de twee werelden – zeg maar: twee culturen – waarin hij
leeft. “Thuis op de boerderij heb ik dieren om me heen en werk ik in de moestuin. We zorgen er letterlijk voor ons dagelijks brood. Het is een organisch leven, een leven zo veel mogelijk in harmonie met de natuurlijke orde. Maar elke werkdag stap ik in de metro, de ondergrondse, en als ik dan in het centrum van Rotterdam, weer bovenkom, bevind ik me tussen beton en asfalt, in een georganiseerde wereld met roosters, planningen en protocollen, waarin die vanzelfsprekende bestaanswijze voorbij is. Hier leeft men een geürbaniseerd bestaan, waarin de natuurlijke orde is verdrongen door een kunstmatige, zoals dat van het kunstlicht van de tl-bakken in de ruimte waar we nu zitten. Het vereist dat ik de orde in mezelf ook kunstmatig maak. Dat is een andere manier van bestaan. In moet die twee levenswijzen in mijzelf zien te verenigen. En dat vind ik vanuit het thema diversiteit uitermate interessant. Als burgers van dit land moeten we namelijk verschillende bestaansorden in onszelf zien te combineren, in mijn geval een rurale- en een urbane cultuur. Dat is best een ingewikkelde opgave.”

Dus hoe doe jij dat dan?

“Als ik in staat ben met de veelstemmigheid in mezelf om te gaan – als jongetje van het land en als man van de stad – helpt het me ook om met al die verschillen in de samenleving om te gaan. Ik moet echter voorkomen dat ik de één groter maak dan de ander, dat het ene het andere verdringt.”

Hoe vertaal je dat naar diversiteit en inclusiviteit?

“Voor mij is diversiteit sterk verbonden met verschil en omgaan met verschil. Verschil is vaak van dien aard dat het één het ander niet verdraagt. Doordat het één er is, is het voor het andere moeilijker om er te zijn. Als ik op het land ben, is het leven van de stad moeilijker. En andersom ook. De dieren van het land worden door de stad niet verdragen. Diversiteit heeft te maken met het verschil dat elkaar niet erg verdraagt, maar dat ondanks dat toch verenigd moet zien te worden in een bestaan of een samenleving. Dat is bijzonder spannend. Want het urbane leven is dominant en drukt veel andere mooie en goede culturen weg. Het zelf kneden van mijn brood kost tijd, dat vraagt aandacht in de keuken. Als ik tegelijkertijd wordt geacht mee te doen in die participatiesamenleving word ik als het ware uit de keuken getrokken. De orde van de stad maakt het voor andere stemmen lastig om gehoord te worden.”

Hoe gaat de hogeschool daar in jouw ogen mee om?

“De hogeschool, als kennisinstelling en opleidingsinstituut voor professionals, leidt op in een sfeer en een werkwijze die als een structuur wordt opgelegd aan de wereld en de samenleving. Dat doen we ook in de zorg, in de industrie, in de bankwereld. We analyseren de problemen en bedenken een oplossing en dan moet het voortaan zo gebeuren. Dat is dus een manier van denken waarbij je boven de problematiek gaat staan. Simpel gezegd, we proberen het te snappen. Maar ons leven zit vaak zo in elkaar dat we niet boven de problematiek staan, maar dat we er middenin zitten. Of eronder lijden zelfs, dan ont-snapt het ons. En dan vind ik het weer boeiend om te luisteren naar die andere orde, de natuur die ons overtreft en die ons leert: hoe kan ik me voegen in een orde en er vrede mee hebben. En niet: hoe kan ik die orde naar mijn hand zetten?”

Hoe werkt dat dan door binnen zo’n hogeschool?

“Ik denk dat wij er als hogeschool goed aan doen om niet alleen beleid te maken, problemen te analyseren, oplossingen te bedenken en die oplossingen op te leggen, maar dat we ook een houding met ons meedragen van: ontvankelijkheid, luisteren naar het verloop der dingen. Er meer receptief mee omgaan. De dominante Nederlandse cultuur van controle en beheersing kan veel leren van andere culturen. Zoals ik leer door in mijn tuin te werken. We moeten toestaan dat dingen niet pas bestaan als ze wetenschappelijk zijn bewezen. Maar dat ze bestaan omdat het algemeen menselijke waarheden zijn. Ik denk dat we in het hoger beroepsonderwijs moeten erkennen dat er in de menselijke omgangsvormen ook een orde is die evident is. We moeten leren daar opnieuw naar te luisteren.”

Hoe ziet dat er in de praktijk uit?

“Het onderwijs in de methodieken wordt minder en de aandacht voor de ontmoeting wordt meer. De ander moet zich gekend voelen. Bijvoorbeeld: wij vragen van onze studenten om zich uit te drukken in taal. We wonen in Nederland, en het is uitermate belangrijk dat we één gemeenschappelijke taal hebben. Maar voor sommige studenten is Nederlands niet de moedertaal en dus moeilijker. Hoe kunnen we daar erkenning aan geven? Ik pleit ervoor dat studenten uitgenodigd worden werkstukken parallel in te leveren; dus als Arabisch hun moedertaal is het in die taal te schrijven en daarvan een Nederlandse versie te maken. Zo komen ze dichterbij zichzelf en het werkstuk komt dichterbij. En wij als hogeschool erkennen daarbij dat hun eerste taal essentieel is. Ja, uiteindelijk moet het ter beoordeling wel in het Nederlands worden ingeleverd. Maar het gaat niet alleen om het punt van de beoordeling, het gaat toch vooral ook om wat de student ervan geleerd heeft.”

Dat vraagt nogal wat van docenten?

“Het vraagt primair om erkenning; we hoeven al die talen niet te beheersen. Stel: ik voer een coachgesprek met een student die Nederlands als tweede taal spreekt. Ik vraag: ‘Vertel het me in je moedertaal.’ Omdat ik die niet versta, proef ik iets van de verlegenheid die deze student soms ervaart. Het wordt daardoor gelijkwaardiger. Ik geef iets aan die student, een erkenning op iets wat eigen is voor hem of haar. Ik voel dan zelf ook iets van het verschil en van de werelden die moeilijk te verenigen zijn. Dat gaat dieper dan alleen het gevoelsniveau. Dat gaat over de fundamentele waarden over wie die ander is en wat voor hem of haar belangrijk is. Nu gaat het allemaal veel te technisch. Er zijn maatstaven en regels en daar moeten alle studenten aan voldoen. Kunnen we ook verschil toelaten? Dat is toch diversiteit?”

Er zitten bijna 40 duizend studenten op onze hogeschool. We hebben die regels toch nodig om orde te bewaren, anders wordt het een chaos?

“Ja, dat aantal is ook veel te hoog. Daardoor gebeurt het nu te vaak dat de methodiek en techniek de menselijkheid wegdrukken. In deze orde van grootte kun je niet meer denken in termen van ‘ontmoeten’. En dat is juist zo belangrijk. Elkaar ontmoeten van mens tot mens, van docent tot docent, van student tot docent. Die
ontmoeting is fundamenteler dan welke methodische kennis of welke beoordelingsmatrix ook. We moeten geïnteresseerd raken in het feit dat we anders zijn en bereid zijn te accepteren dat we elkaar niet helemaal begrijpen. En dat ik niet van jou eis om op mij te lijken, of je aan te passen aan mij. Dat is ingewikkeld, zeker met zo’n grote populatie. Met mijn vrouw heb ik meerdere jaren voor mijn inmiddels overleden vader gezorgd. Zorgen voor één oude, gebrekkige man heeft een schoonheid. Zorgen voor twintig oude, gebrekkige mensen in een verzorgingshuis verliest die schoonheid op een bepaalde manier. Dan wordt het mechaniek, routine en organisatie. Ik denk dat wij met de massaliteit van het onderwijs de fundamentele voorwaarden voor ontmoeting moeilijker maken. Ons onderwijs moet zo in elkaar zitten dat de student zich echt gekend voelt door de docent. Niemand mag hier een nummer zijn!”

In deze tijd is het al lastig om voldoende docenten te vinden. Wat is dan de oplossing voor de hogeschool?

“Maak de regels eenvoudiger, organiseer minder en laat het verschil toe. En heb vertrouwen in je personeel. Als ik een werkstuk beoordeel, controleren toetsingscommissies en examencommissies mij of ik dat goed heb gedaan. En daarboven zit weer een accreditatiecommissie. We controleren de controleurs. De ironie is dat die - zogenaamde - kwaliteitsbewaking goed onderwijs in de weg zit. Doordat we zo bezig zijn met controle, maken we iets stuk op het basaal menselijke niveau, waardoor er uiteindelijk vervreemding optreedt.”

Werkt het dan ook averechts als je diversiteit en inclusiviteit centraal stelt?

“Diversiteit en inclusiviteit zijn lastig via een beleidsmatige aanpak te organiseren. Het is iets wat moet groeien. Het moet uit ontmoeting ontstaan. We staan nu aan het begin. Om inclusiviteit binnen de hogeschool te laten slagen moet je bereid zijn om iets aan die mechanieken in de industriële orde te doen. Want die ademt een eenduidige cultuur; daarbinnen is het aanpassen of vertrekken. Inclusie vraagt om in die geordende organisatie van een hogeschool fundamenteel een attitude van verschil toe te laten, waarbij je elkaar net niet helemaal verstaat. Ook op organisatieniveau. En dat is harstikke spannend en ontzettend moeilijk! Het vereist namelijk een cultuur waarin jij op een andere manier onderwijs mag verzorgen dan ik. En dat jij op een andere manier mag toetsen dan ik. Dat de ene student anders getoetst mag worden dan een andere student. Het vraagt op een fundamenteel niveau eigenheid en diversiteit in de beoefening van ons vak.”

Wat is je droomscenario?

“In mijn droom bestaat het onderwijs niet alleen uit powerpoint-presentaties, maar ook uit het samen de maaltijden bereiden en gebruiken. In het proeven ontmoet je elkaar. Tijd en ritme zijn dan fundamenteel. Een student van mij deed een afstudeerproject in een organisatie. Zij kreeg drie kwartier in een managementoverleg om de conclusies te bespreken. Ze zei: ‘Dat is te kort.’ Vervolgens heeft ze van die drie kwartier een kwartier yoga gedaan met dat managementteam. Dat vond ik stoer. Ze deconstrueerde daarmee het idee van tijd. Want in dat ene kwartier was er ineens een zee van tijd en kwamen de deelnemers in een andere belevingstoestand. Daarna kon dat resterende halfuur opeens heel anders worden gebruikt. Wonderlijk. Het gaat niet om de optelsom van ontmoetingen, het gaat om de kwaliteit van de ontmoeting in het moment. Dat moeten we hervinden.”

Kun je jouw collega’s meenemen in dit concept?

“Ik heb het gevoel dat ik raak aan een breed gevoeld verlangen met deze gedachte. Het gebeurt vaak niet omdat de werkelijkheid weerbarstig is. Zelf heb ik hierna ook weer een volgende afspraak met de nodige tijdsdruk omdat de klus voor de vakantie af moet zijn. Zo werkt het. Toch is het mogelijk om daarbinnen mijn droom te verwezenlijken. Mijn eigen, persoonlijke opgave is om het urbane en het rurale op de een of andere manier in mijzelf te verenigen en de werelden waar dat voor staat. Ik doe dat door actief vorm te geven aan het idee van ontmoeting. Laatst had ik een overleg en op een punt botsten we als collega’s. Het werd spannend en persoonlijk. Omdat we daar niet aan voorbij gingen en de confrontatie niet uit de weg gingen, veranderde er iets. We waren bereid de ander te verstaan en het overleg daarna was net anders. Daar heb ik dan iemand ontmoet voor mijn gevoel, ook in het de ander niet helemaal begrijpen. Het is zonder woorden zeggen: ‘Toch houden we van elkaar.’”

Als je nu tegenover de directie zou zitten en ze je vragen: ‘Hoe moet het verder met inclusiviteit en diversiteit?’, wat zou je dan antwoorden?

“Ik zou ervoor pleiten verschil toe te laten en verschil te waarderen. Verschil is rijkdom, verschil is moeilijk. Maar uniformiteit is de dood in de pot. We moeten af van de mechanische systemen, want die hebben de neiging om uniformiteit te bewerkstelligen en dan gaat het leven eruit. We moeten naar een situatie waarin de ene student op basis van competentie x zijn diploma krijgt en de andere student op basis van competentie y. Ik pleit voor onderwijs waarin niet alle studenten op basis van hetzelfde een diploma krijgen, maar op basis van uniciteit hun erkenning krijgen. Inclusiviteit heeft implicaties voor onze visie op studiesucces. Als student zou ik willen dat mijn docent naar mij kijkt van: wat heb jij in je dat jij hier met een diploma kunt vertrekken? En minder: hoe krijg ik jou zover dat je voldoet aan de eisen? Het is de kunst om toe te staan dat ik het niet helemaal begrijp en er toch erkenning op kan geven. Jouw verhaal is anders dan mijn verhaal. En zo zou het ook tussen collega’s en opleidingen moeten zijn. Je eet toch ook niet elke dag hetzelfde?”

Maar jij eet deze week wel elke dag bietjes?

“Haha, de komende week wel, ja. Dat is waar.”

We gebruiken cookies voor analyse en marketing om de website te verbeteren.

Wijzig cookie-instellingen