Menu Zoeken English

‘Mijn cultuur is ook maar een cultuur!’

Enny Kraaijveld, manager Centre of International Affairs (CoIA)

Enny Kraaijveld werd geboren in Rotterdam-Zuid, vanaf haar negende woonde ze in Krimpen aan de IJssel. Ze studeerde Frans in Leiden en Parijs en haalde haar onderwijsbevoegdheid in Delft op de lerarenopleiding Zuid West Nederland (voorloper Hogeschool Rotterdam). Ze is getrouwd en heeft drie studerende kinderen. Ze woont nog altijd in Rotterdam. Sinds elf jaar werkt ze op Hogeschool Rotterdam.

“We hebben met een heel diverse populatie te maken in Rotterdam; je moet daar als docent mee om kunnen gaan. Je kunt niet zeggen: ‘Zo doen wij dat nu eenmaal.’ Want wie is ‘wij’ in een super diverse stad?”

Aan het woord is Enny Kraaijveld, manager van CoIA. Na haar afstuderen maakte ze een wereldreis door Azië en Amerika en werd gegrepen door het reisvirus. Toen ze jaren daarna voor werk met haar gezin naar Sint Maarten verhuisde, realiseerde ze zich dat er meer voor nodig is om een andere cultuur te leren kennen dan als toerist. “Op Sint Maarten dacht ik: ik ben tolerant en open-minded, binnen een paar maanden begrijp ik het hier,” zegt ze. “Dat bleek niet zo te zijn. Ik kreeg een flinke spiegel voor gehouden. Men is daar bijvoorbeeld veel meer op de relatie gericht en in eerste instantie minder op de taak. Dat leidde ertoe dat er in meetings van een uur eerst een halfuur werd gepraat over het weer, de gezondheid van de familie, de nieuwste ontwikkelingen in de politiek; daarna werd er vijftien minuten keihard gewerkt aan de taak en stevig onderhandeld om dan nog vijftien minuten verder te praten over het weer, de gezondheid van de buurman, enzovoorts. In het begin vond ik dat zo weinig efficiënt en kon ik lastig geduld opbrengen. Maar het diende een doel: eerst moest de relatie weer bevestigd en bestendigd worden voordat er echt zaken gedaan konden worden. Terwijl anderen zich daarover boos maakten, zonder in de spiegel te kijken naar hun eigen rol in het geheel, heb ik getracht het anders te doen om daar wél met plezier te kunnen werken. Het was een leerzame tijd.”

Warm-bad-ervaring

In 2014 werd ze manager van CoIA. Het centrum begeleidt studenten die een halfjaar buitenlandervaring willen opdoen; jaarlijks zijn dat er ongeveer zeven- tot achthonderd. Daarnaast ontfermt het centrum zich over de ongeveer vierhonderd buitenlandse studenten die elk jaar een korte periode aan Hogeschool Rotterdam studeren en de nog eens vierhonderd die een volledige opleiding volgen. “De meesten hebben een totaal andere benadering nodig dan de gemiddelde Nederlandse student,” zegt ze. “We proberen een warm-bad-ervaring te geven vanaf het moment dat ze zich aanmelden. Zo maken we de overgang makkelijker. Dat wordt erg gewaardeerd. Als ze hier eenmaal zijn organiseren we allerlei kennismakings-activiteiten, zodat ze vanaf het begin een sociale kring om zich heen hebben.”

Daarnaast begeleidt CoIA medewerkers van de hogeschool die naar het buitenland gaan voor training en helpt ze de opleidingen bij het internationaliseren. Tot slot speelt CoIA ook een rol bij de Werkplaats Internationalisering, waarvan Kraaijveld projectleider is. “Het gaat daarbij over meer dan mobiliteit. Wat betekent nu culturele competentie-ontwikkeling binnen je opleiding? Hoe ga je om met je culturele studentenpopulatie? Wat betekent dat voor je curriculum? Daarbij komt ook mijn team bij CoIA van pas: zij komen uit dat buitenland of hebben er gewerkt. Ze nemen een extra stukje kennis en ervaring mee, waarvan andere collega’s kunnen leren.”

Meerwaarde

Dat CoIA-team is in zekere zin uniek. Toen ze aan haar baan begon, realiseerde Kraaijveld zich namelijk dat CoIA haar taak het beste kon doen als haar team bestond uit Nederlanders met internationale ervaring en échte internationals. Want hoe kun je een student informeren over het buitenland als je zelf nooit verder bent geweest dan Ridderkerk? Het kwam voort uit haar eigen ervaringen op Sint Maarten. “Mijn geluk was dat het team nog voor een groot deel gevormd kon worden,” zegt ze. “CoIA ontstond uit een samenvoeging van twee bestaande teams: International Office, verantwoordelijk voor inkomende en uitgaande studenten, en een RBS-team dat verantwoordelijk was voor het werven van studenten voor de Engelstalige opleidingen. Mijn opdracht was: ontwikkel je tot een expertisecentrum op het gebied van internationalisering en zorg dat je onmisbaar wordt en iedereen je kan vinden.”

Haar team bestaat nu uit 28 medewerkers met vijftien verschillende nationaliteiten. “Daar hebben we bewust op geworven. Als mensen bij ons willen werken moeten ze in ieder geval een internationale ervaring hebben opgedaan: zelf in het buitenland hebben gewoond of gewerkt, of zelf een international zijn. De ervaring is van meerwaarde om de studenten die hier komen het verhaal te vertellen.”

Meltingpot 31

Inmiddels is het binnen CoIA beleid geworden dat nieuwe medewerkers aan deze eisen moeten voldoen. Kraaijveld is echter van mening dat anderen daaraan op een diverse school als Hogeschool Rotterdam een voorbeeld zouden kunnen nemen. “Ik vind dat iedere docent van onze hogeschool goed ontwikkelde culturele competenties moet hebben,” zegt ze. “Dat hoeft niet perse door een verblijf in het buitenland, al is dat wel makkelijker. Wij laten hier met ons team zien wat de meerwaarde is van diversiteit. Zo kunnen we bijvoorbeeld makkelijker aansluiten op de vragen en behoeftes van internationale studenten en medewerkers. En leidden de gesprekken over de verschillen tot interessante bevindingen die verrijkend zijn.”

Het wil niet zeggen dat het allemaal vanzelf is gegaan. “Soms duurt het even voordat iedereen vanuit al die verschillende culturele achtergronden begrijpt waar we elkaar precies ontmoeten. Maar tot op heden is het een mooie meltingpot van allerlei culturen. Vaak hoor ik van collega’s met een andere achtergrond: ‘Hé, jij doet dat zo. Wat grappig. Wij doen dat anders.’”

 

Haar medewerkers hebben in de afgelopen vier jaar twee keer een zogenaamde IDI-test (Intercultural Development Inventory) gedaan. “Juist als er de nodige tijd tussen zit en je in de tussentijd gerichte acties uitzet ter bevordering van de culturele competentieontwikkeling zie je beweging en ontwikkeling. Als daar reden toe is, hebben we een gesprek over de verschillen en ontwikkelmogelijkheden. Ook houden we workshops en filmavonden na werktijd. In zo’n film zit altijd een vraagstuk waarover we na afloop discussiëren. En eens in de maand hebben we een CoIA-lunch waarin een van de collega’s iets presenteert over zijn eigen land of cultuur, waarbij we die afzetten tegen de Nederlandse.”

Omgaan met diversiteit

Haar beleid heeft succes. Helaas wordt het nog niet door iedereen gezien op Hogeschool Rotterdam. “Het aantal internationale studenten is in verhouding met de enorme populatie van de hogeschool zeer beperkt,” zegt Kraaijveld. “Internationalisering is een van de vele thema’s binnen Hogeschool Rotterdam. Maar als wij een hogeschool willen zijn met internationale ambities die gevestigd is in een heel diverse omgeving als Rotterdam, die ook nog eens een grote internationale handelsstad is, zul je je studenten moeten leren om te gaan met die diversiteit. Daarin zijn de laatste jaren al enorme stappen gemaakt, maar het kan nóg beter. Daar kunnen wij als CoIA bij helpen.”

Vooralsnog ligt de focus van de hogeschool volgens Kraaijveld meer op: hoe kunnen we een inclusieve hogeschool zijn met al die studenten met al hun culturele achtergronden die hier in de regio wonen? “En er is wat minder oog voor de écht internationale studenten. Wellicht omdat het vraagstuk van de hele groep studenten ook wel heel erg groot is. Dus wij bonzen de hele tijd op die deur en zeggen: hé, wij hebben ook nog een clubje internationals met wie nog iets meer moet. We hebben ook de zorg voor hen.”

Culturele competentie-ontwikkeling

Kunnen omgaan met ander culturen zou standaard onderdeel moeten zijn van de professionalisering van docenten van Hogeschool Rotterdam, vindt Kraaijveld. “Want ook al heb je geen buitenlandse studenten in je groep, toch zit in die groep wel vaak het DNA van de stad,” zegt ze.

Juist die docenten kunnen volgens haar baat hebben bij de ervaringen van CoIA. “De overlap tussen internationalisering en inclusiviteit en diversiteit is groot. De vraagstukken grenzen aan elkaar. We kunnen ze leren even uit te zoomen van puur dat Nederlandse. We moeten er niet van uitgaan dat ze, omdat ze zijn opgegroeid in Rotterdam, weten hoe het werkt. Het gaat erom: wat brengt die culturele achtergrond mee en hoe kan een student zijn culturele vaardigheid ontwikkelen? Een student uit de Zeeuwse polder heeft iets anders nodig dan een student met een Marokkaanse achtergrond uit Rotterdam-Zuid. Tegelijkertijd komen ze over een paar jaar op dezelfde arbeidsmarkt en moeten ze wel dezelfde soort vaardigheden hebben ontwikkeld. Ik vraag me af of we binnen onze hogeschool 33 genoeg gebruik maken van al die culturele ervaring, met in dit voorbeeld de Marokkaanse student. Want die heeft zijn thuis-, school- en sportcultuur. Die switcht al continu tussen al die verschillende culturen en gedragingen. Toen ik naar Sint Maarten verhuisde was het logisch dat dingen anders gaan. Maar hier stap je continu in een verschillende cultuur. Mijn indruk is dat we daar niet voldoende aandacht aan geven. We redeneren snel van: zo doen we dat hier nu eenmaal; we zijn in Rotterdam. Bestuursvoorzitter Ron Bormans houdt het ons vaak voor: houd dat goede gesprek met student. Wat zijn je opvattingen en waar zijn die op gebaseerd? Hoe raken die elkaar en hoe botsen die en wat kunnen we daarvan leren?”

Vanuit CoIA ligt dan de focus op die culturele competentieontwikkeling die je zowel in Rotterdam gebruikt als in het buitenland als je daar een studie of stage gaat doen.

Experimenteren

De CoIA-manager acht het van belang dat de Nederlandse hogeschoolstudenten met verschillende culturele achtergronden met elkaar integreren. De hogeschool zou daar actief aan moeten bijdragen. “Want als ze niet integreren en straks zijn afgestudeerd en in een diverse omgeving komen te werken, moeten ze alsnog leren met andere mensen om te gaan. Dat zou een gemiste kans zijn, want juist hier op school kun je daarmee experimenteren. Ik denk dat we dat moeten stimuleren.”

Tegelijkertijd realiseert ze zich dat het wel iets vergt van de docent. “Ik ben het zelf ook geweest. Soms denk je: vorm zelf je groepjes en ga aan de slag. Want het kost elke keer veel tijd voor een docent om dat gesprek aan te gaan om uit te leggen dat dit zinvol is en waarom het nodig is om zich zo te ontwikkelen.” En toch ziet ze er de meerwaarde van in. “Ik probeer me in mijn eigen evaluatiegesprekken continu bewust te zijn van mijn eigen culturele bril. Ik leer er zelf van. Waarom gebeurt er wat er gebeurt? Ik vind dat super leuk. Want mijn cultuur is ook maar een cultuur. Daar moet je je continu bewust van zijn. Is mijn cultuur belangrijker dan die van een ander omdat we toevallig hier zijn? We zijn hier bij elkaar en dienen een doel. We willen samen iets bereiken. Want juist al die verschillende culturen brengen zo veel meer gezichtspunten met zich mee.”

We gebruiken cookies voor analyse en marketing om de website te verbeteren.

Wijzig cookie-instellingen